Eerst was er niets aan de hand. De man ging dagelijks naar zijn werk. Hij kwam thuis in een liefhebbend gezin. In weekenden keek hij trouw naar sport op televisie. Tot hij op een in een opwelling besloot een eenzame wandeling door het park te maken. Daar sloeg het noodlot toe.
Misschien zat het onheil er al langer aan de komen en kwam hij daardoor tot de opwelling van de eenzame wandeling. Hoe dan ook, daar in het park geschiedde het: zijn innerlijke dialoog.
Op het verlaten pad in het park brachten zijn gevoelens hem mentaal op de knieën en spraken tegen hem: ‘laat ons toe of we zullen je breken.’ De man was onder de indruk van hun serieuze dreigement. ‘Wat willen jullie van me?’ vroeg hij angstig, maar eigenlijk wilde hij het antwoord niet horen. De man had deze gevoelens al eerder ervaren in een ver, ver verleden. In dat verre verleden hadden ze niet samen door één deur gekund. Om van het gezeur af te zijn, was de man door de mentale deur gelopen en had deze zonder omkijken stevig achter zich dichtgetrokken. Althans, dat dacht hij.
Nu bedacht de man zich: ‘dat mijn innerlijk in staat is tot het voeren van een dialoog, betekent dat er nog steeds delen van mij zijn die niet op één lijn zitten’. De andere kant van de mentale deur bevond zich misschien nog steeds in zijn eigen hoofd. Had hij het probleem alleen maar uitgesteld in plaats van opgelost? Schoorvoetend gaf hij aan zichzelf toe dat hij de oude gevoelens wel vaker aan de deur had horen kloppen. Deze keer waren ze het rustige geklop misschien zat, want de deur werd letterlijk ingetrapt daar op het pad in het park. De oude gevoelens eisten hun rechtmatige ruimte op.
Hij was echt verliefd op haar geweest toen ze elkaar net ontmoetten. Haar grote blauwe ogen en haar lieve lach… Wat waren ze gelukkig geweest de eerste jaren. Maar hij voelde het gewoon niet meer. De liefde was allang weg. En hoe langer hij bij haar bleef, hoe meer hij zelf wegvaagde. Hij had haar niet willen kwetsen, maar zou dat niet alsnog gebeuren wanneer hij zichzelf zo zou laten afbreken? Hoe goed was hij dan nog voor anderen?
De man barstte in huilen uit. Hij verlangde naar de rust van een monoloog in zijn hoofd. Maar zijn diepe ontevreden gevoelens waren niet weg te krijgen; de rust in zijn hoofd was een stugge illusie geweest. Een energie zuigende illusie.
Toen hij de voordeur opende, klonk de stem van zijn vrouw: “waarom ben je zo laat? Het eten is al koud. Had je niet kunnen bellen?” De maag van de man kromp ineen, maar niet door het vooruitzicht op een koude maaltijd. In de woonkamer zaten zijn vrouw en twee kinderen nog aan de eettafel. Hun borden waren leeg.
“Mag ik even met jullie moeder alleen zijn?” vroeg hij zijn kinderen. De kinderen verdwenen naar boven. “We moeten praten”, richtte de man zich tot zijn vrouw. De blauwe ogen keken hem aan, nog groter dan normaal.
Twee jaar later zat de man op een terras in de Mediterraanse zon. Langzaam bracht hij een flesje bier naar zijn glimlach en nam een slokje. Een licht gerimpelde en door de zon gebruinde vrouwenhand verscheen in zijn gezichtsveld. De eigenaresse van de hand nam het biertje over. ‘Eerlijk delen’, grapte ze. Na het biertje zetten de man en vrouw hun motorhelmen weer op en vervolgden hun tocht langs de rotsachtige kustlijn. De ondergaande zon weerspiegelde op hun helmen en het staal van de motoren.
De man draaide zijn hoofd even naar de zee en kneep zijn ogen toe. Wat voelde hij zich rustig. Hij bedacht: ‘zelfs de diepste, meest ongewenste gevoelens zijn niet ongemerkt achter de verste deur weg te stoppen. Soms verplaatsen we ons zo langzaam in de verkeerde richting, dat we pas heel laat door hebben dat we een verkeerde afslag hebben genomen. Gelukkig hebben we altijd een keuze. Altijd.’
Na deze monoloog gaf de man nog eens gas en liet zich overstromen door zijn levensenergie.
