Coronacrisis legt de dynamiek tussen ‘wij’ en ‘de Ander’ bloot

Cultuur is de betekenis die mensen geven aan gebruiken, objecten en aan elkaar. Het is wat mensen normaal vinden. Overal ter wereld maken we onderscheid tussen ‘wij en de Ander’, ‘goed en slecht’, ‘rein en onrein’. Maar wat normaal wordt gevonden, verschilt per context en verandert met de tijd. In de antropologie spreekt men dan ook over cultuur als iets dynamisch.

Cultuur kan grote invloed hebben. Zo waren er ooit volken in Zuid-Amerika die in goud een mogelijk ruilmiddel en een mooi accessoire zagen. Deze mensen vonden nu ook weer niet dat alles hierom moest draaien. In diezelfde tijd waren er volken in Europa die in goud het meest waardevolle ruilmiddel ter wereld zagen. Het vermeerderen van kapitaal gaf hen macht en status: het dreef Europeanen de oceaan over. De Zuid-Amerikaanse volken zijn nu voor 90% uitgestorven. Het is duidelijk wie de Europeanen zagen als ‘wij’ en wie als ‘de Ander’. Een voorbeeld van de serieuze gevolgen die het geven van verschillende betekenissen aan objecten en gebruiken kan hebben voor de mens.

Tegenwoordig vullen we goed en slecht anders in dan tijdens de plundering van Zuid-Amerika. Relatief recent is het idee ontstaan dat alle mensen met bepaalde rechten worden geboren. Mensenrechten noemen we dit. Wereldwijd zijn steeds meer mensen dit zo gaan zien. Zij maken op basis van deze maatstaf onderscheid tussen ‘goed en slecht’, ‘wij en de Ander’. Het idee dat mensenrechten normaal zijn, verspreidt zich nog steeds over de wereld met transformationele gevolgen voor miljarden mensen als gevolg.

De dynamiek van cultuur wordt extra zichtbaar in een periode als de coronacrisis. Voor de volksgezondheid (en de betekenis die wij hieraan geven) werden we in korte tijd gedwongen om onze cultuur aan te passen. Het proces van cultuurverandering is daarmee in een snelkoker terecht gekomen. Mijn antropologische radartjes zien op elke hoek van de straat nieuwe vormen van betekenisgeving. Sommige zijn tijdelijk, maar er zullen ook langdurige cultuurveranderingen volgen in Nederland en wereldwijd. Bijvoorbeeld het verbod op het eten van honden en katten in de Chinese stad Shenzhen.

Een paar maanden terug was het normaal om iemand de hand te schudden. Gewoon, als groet of als bedankje. Een cultureel gebruik. Zo zie je in een scène van de Disney film Pocahontas hoe John Smith zijn hand uitsteekt naar Pocahontas, maar zij pakt zijn hand niet aan. Ze kijkt ernaar en zegt: “er gebeurt niets”. Dit gebruik betekent niets voor haar. Met onze nieuwe definities van ‘rein’ en ‘onrein’ mag het traditionele handen schudden niet meer. We hebben als het ware een mini-kastensysteem ontwikkeld. Alleen mensen uit het eigen huishouden zijn ‘rein’ en hen mogen we aanraken. Iedereen die niet in hetzelfde huis woont is ‘onrein’ en mogelijk gevaarlijk voor het overdragen van een potentieel dodelijk virus. Deze personen moeten op 1,5 meter afstand van elkaar blijven.

Minder mensen hebben het over vegan food. Ga zo min mogelijk naar de supermarkt en red zo tientallen mensenlevens. Voor je maatschappelijk verantwoorde status hoef je niet langer geld te doneren aan Afrika. Internationale samenwerking voor armoedebestrijding wordt door veel mensen, zeker in Europa, als goed beschouwd. Dit wordt onder andere gefaciliteerd door het geloof in mensenrechten. Rijkere landen voelen zich deels verantwoordelijk om armere landen socio-economisch een bepaalde richting op te bewegen. Toch laat de pandemie op het eerste gezicht een hernieuwde (?) focus zien op het nationale. Men focust primair op maatregelen om het eigen gezondheidsstelsel en de nationale economie staande te houden. Dit wordt blijkbaar nog altijd het belangrijkste gevonden. Het geeft aan waar de grenzen liggen tussen ‘wij’ en ‘de Ander’ en waar we staan wanneer het aankomt op een globale samenleving. Onze politieke en gezondheidsstelsels zijn nog grotendeels nationaal ingericht.

Het ligt anders wanneer je kijkt naar economie en handel. Meer dan ooit ligt bloot hoe landen economisch met elkaar verbonden zijn geraakt. Globalisering wordt kritisch onder de loep genomen. Nu productie en consumptie in veel landen grotendeels stil liggen, hebben lokale economieën zichtbaarder last van wat er elders in de wereld gebeurt. Afrikaanse verkopers die geen producten meer uit China kunnen krijgen en hun inkomen verliezen. Nederlandse ziekenhuizen die een tekort hebben aan beschermingsmateriaal, zoals mondkapjes, omdat ook andere getroffen landen in de rij staan bij Chinese producenten. Ik hoor veel China. Dat wisten we natuurlijk al, maar de realiteit van onze handelsrelaties komt nu extra hard binnen.

Zijn de groepen ‘wij’ en ‘de Ander’ anders verdeeld wanneer het aankomt op gezondheid dan wanneer het aankomt op economie? In het systeem wel. Maar blijkbaar in onze hoofden niet. Daarom is de discussie omtrent globalisering opgelaaid. We zijn niet volledig zelfredzaam in het huidige economische systeem, waardoor ‘wij’ niet altijd voor ‘de Ander’ kunnen gaan.

En daar staan we dan, op de route naar steeds meer het lokale ‘rein’ en ‘goed’ verklaren. Onze angst voor de medemens en de rest van de wereld is plotseling toegenomen. We moeten voorzichtig zijn in onze conclusies en verdere aanpak. Voorzichtig met wat voor betekenis we geven en gaan geven aan elkaar.

Wanneer je terug denkt aan het eerste voorbeeld, waarbij de Zuid-Amerikaanse volken grotendeels verwenen na de aankomst van de Europeanen, dan valt er een gelijkenis met het heden op. Eén van de grootste doodsoorzaken van de Zuid-Amerikaanse bevolking was namelijk het aantal nieuwe ziektes dat de Europeanen met zich meebrachten. Hiertegen had de lokale bevolking nog geen immuniteit opgebouwd. Er gingen epidemieën rond. Klinkt bekend? Toentertijd vond men dat in Europa niet zo erg. Het kwam eigenlijk wel goed uit als ‘de Ander’ er niet meer zo veel was.

Dat we elkaar nu, na het controleren van onze nationale situaties, ook internationaal tegemoetkomen in het bestrijden van het nieuwe coronavirus, is ook te danken aan globalisering. Landen waaronder Frankrijk en Nederland, stuurden initieel medisch materiaal naar China, toen daar het coronavirus als eerste uitbrak. Er wordt wereldwijd gecommuniceerd over het bestaan en rondgaan van het virus. We vonden de uit de hand gelopen situatie in Italië vreselijk en volgden dit in het nieuws. Wanneer Europese landen voorbij de piek van de pandemie-uitbraak zijn, zullen er wellicht hulpmiddelen en artsen naar Afrika gaan. Sommige Nederlandse artsen die tijdelijk waren gestationeerd in Afrika, zijn daar vrijwillig gebleven om te helpen.

Internationale samenwerking, reizen en de bijkomstige gewenning aan andere culturen hebben de grens tussen ‘wij’ en ‘de Ander’ wel vervaagt. Wij zien de ander steeds meer als medemens, tonen meer empathie en zijn onder bepaalde voorwaarden bereid tot samenwerken en helpen. De coronacrisis is een eyeopener wanneer het aankomt op het verspreiden van ziektes en de mate van internationale economische afhankelijkheid. Het is een voor het milieu duurzaam besef dat een mens met minder reizen ook best overleeft.

Deze lessen kunnen we meenemen naar de toekomst om zorgstelsels, internationale handelsrelaties en ons eigen dagelijks leven slimmer in te richten. We kunnen een stuk verstandiger omgaan met gezondheid, economie en milieu. Het is echter ook belangrijk dat internationale samenwerking bewaard blijft. Als we zouden stoppen met het maken van verre reizen en met name lokale productie zouden ambiëren, dan gaan we straks misschien weer denken in termen als vreemden in China en criminelen in Australië. En dan wordt de mens globaal opeens een stuk minder behulpzaam.

De oorverdovende stilte in de Randstad

Ik heb het gevoel dat ik in het uitgestrekte Australië loop. Of in Lunteren, Gelderland, waar ik de afgelopen paar jaar heb gewoond. Wat hebben deze twee plekken gemeen? Stilte. Er is meer natuur dan er mensen zijn. Meer bomen dan startups. Meer vogels dan productie.

Nu loop ik in de Randstad met datzelfde gevoel. Ik wandel door de Amsterdamse Waterleidingduinen en het is er oorverdovend stil. Weinig vliegtuigen. Minder verkeer.

Ik merk hoe luid het normaalgesproken is in de Randstad. Zelfs in de duinen. Dat wordt veroorzaakt door de geluiden van de voertuigen waarmee iedereen zich constant van afspraak naar afspraak verplaatst.

Het klink alsof iedereen nu even thuis zit.

De herten in de Waterleidingduinen grazen onverstoord verder, zoals ze dat enkele weken geleden ook deden. Ongetwijfeld horen zij ook meer stilte. Maar wat zouden ze ervan denken, behalve: ‘wat is het hier ontspannen de laatste tijd’?

Steeds meer bomen dragen groene knopjes. De wind is guur, maar in de zon achter een strategisch gekozen duin kan mijn jas uit. Vogels fluiten, niet alleen beter hoorbaar doordat het zo stil is, maar ook doordat zij groeien in getale.

Ik bewonder het doorzettingsvermogen van vogels. Twee keer per jaar leggen zij de halve wereld af, op de kracht van hun eigen vleugels. De zomer achterna. Ik snap dat wel. Ik waan me even in vogelvlucht, terwijl de zon weer wat kleur brandt op mijn winterhuid.

In de auto onderweg naar huis voel ik me heel. De natuur heeft er niet zo veel mee, met onze coronacrisis. Ik wel natuurlijk. Maar de wereld buiten de mensheid gaat gewoon door. En daar heb ik ook zeker wat mee.

Sense of belonging in a globalizing world

Globalization is a major topic of interest today. Not just in businesses and the social sciences, but also in our daily lives. It is the process of increasing global interconnectedness. People, products, information: we are witnessing the greatest mobility in human communication ever.

Global interconnectedness is not a new phenomenon. People have traded and communicated globally since far before the agricultural revolution. What is different in our age, is that since roughly a century global interconnectedness has been increasing at unprecedented speed. Information is available in quantities previously unknown to the human race. Change keeps occurring at a speed our ancestors couldn’t even imagine. Beside the many possibilities this interconnectedness offers, this ‘instability’ in our environment is still very new to us.

The socially skilled human has alway used the sharing of knowledge and traditions to help shape a cultural identity. Psychologically a cultural identity provides us with a sense of belonging. Yet in this era of increased mobility, people are confronted with unfamiliarity more than ever before. Cultural identities are therefore exposed to an increased amount of external pressure. When the things we know keep changing, it’s a challenge to keep experiencing a sense of belonging.

Humans are extremely adaptable. Many cultures for example respond to increased global contact by highlighting certain traditions. A traditionally unimportant dance in an African village may suddenly become important, in order to emphasize and hold together a cultural identity. This can be caused by the arrival of television and hordes of foreign tourists, causing challenging cultural scenes for all.

Also when people voluntarily move to a new country, traditions from their home country may become more emphasized than they were originally. These could be music, language, certain habits or religion. I myself remember how much I started valuing traditional Dutch delicacies when I was living in Australia, because it triggered familiar emotions I’d felt in the Netherlands. People are good at finding ways of holding on to a threatened cultural identity and thus maintaining their sense of belonging.

It’s highly unlikely that a truly global society will ever exist. Even though the world is becoming more interconnected, the influence of global processes is always complemented by local forces. Unique cultural mixes between the local and the global emerge everywhere. Some anthropologists, like Thomas Erikson, therefore rather speak of glocalization instead of globalization. Even local cultures themselves are becoming more diverse, since individuals are influenced by a wide variety of sources. One’s choices in (social) media, books or travel enhance different perspectives in every individual.

It’s only human to hold on to cultural identities and, for that reason, necessary. These identities are always subject to gradual change and will know shifts in how they’re being emphasized over time. It seems that people are capable of continuously shape-shifting their cultural identities, in order to cope with constant identity threats in an increasingly interconnected world. Perhaps one day we’ll find out the boundaries of how far the human psyche can stretch this way.

De wens naar meer door vergelijking. Waar ligt de grens?

Na mijn masteronderzoek in Nicaragua merkte ik dat ik haar mensen moeilijk kon loslaten. Dat de wereld oneerlijk is verdeeld, dat wist ik al. Maar om het te zien en voelen, ging mij in elk geval niet in de koude kleren zitten. Wat kon en moest ik met deze pijnlijke status quo?

Het salaris in Nicaragua is zo laag dat mensen niet of nauwelijks geld overhouden. Sommige mensen worden ziek, omdat ze geen schoon drinkwater kunnen betalen. Velen werken zeven dagen per week. Tijd of geld besteden aan investeringen is voor een groot deel van de bevolking niet haalbaar. Hoe creëer je dan een gat naar buiten? Niet dus.

In Nederland werkt het anders. Vergeleken met Nicaragua, is dit de wereld van structurele rijkdom. Hoewel veel mensen ook hier moeite moeten doen om rond te komen, zijn er vangnetten als de WW, WIA, AOW, zorgsubsidie en huurtoeslag. Je moet hier bijna je best doen om op straat te belanden. Schoon drinkwater komt gewoon uit de kraan. Loopbaanadviseurs zijn er om ons te helpen met een overvloed aan keuzemogelijkheden. Het lijkt wel een ander universum.

Arme mensen op veel plekken worden dagelijks gewezen op hun nadelige positie in de wereld en in toenemende mate in eigen land. Versnelde globalisering stuurt mensen en media over de hele wereld. Nicaraguanen zagen mij maandenlang niet werken, maar wel geld betalen voor luxe producten en uitstapjes. Waarom kan ik dat en zij niet? Ik heb geen buitengewone talenten. Ik ben op een plek geboren waar meer geld is. Veel meer.

De consumptiemaatschappij is genadeloos. Dominerende Amerikaanse televisie maakt westers uiterlijk populair. Digitale media verspreiden reclame voor luxeproducten. Gadgets als de tablet worden nagestreefd door mensen die wonen in een hut van houten palen en vuilniszakken. Geld wordt bij elkaar gesprokkeld, maar welke doelen worden bereikt? Onder arme mensen ontstaat de wens naar meer, maar niet altijd de mogelijkheid. Er ontstaat behoefte aan onmogelijke verandering. En dan wandel ik voorbij met mijn Nikon camera, blonde haren en ogenschijnlijk bodemloze portemonnee. Ik help zeker niet mee.

And you think you’re so clever and classless and free

De kans is groter om in Afrika geboren te worden. Of in bomvol India. Maar nee, ik werd geboren in Nederland. Ongevraagd krijg ik veel en anderen bijna niks. Maar ironisch genoeg zie ik in Nederland weinig terug van mijn economisch bevoorrechte positie. Ik leef in een wereld waarin het moeilijk is om een baan te vinden, want er heerst economische crisis. Wanneer ik bovendien, na het behalen van een universitair masterdiploma, als vakkenvuller in een supermarkt zou werken, zou ik volgens velen presteren ‘onder mijn niveau’. Ik voel stress en sociale druk. Velen met mij kunnen niet oogsten wat ze dachten te zaaien met een opleiding. Ze kunnen niet voldoen aan hun eigen verwachtingen en die van de maatschappij.

When they’ve tortured and scared you for twenty odd years
Then they expect you to pick a career
When you can’t really function you’re so full of fear

In Nicaragua bevond ik me aan de maatschappelijke top van succes, terwijl ik er niets voor deed. Hoewel ik meer geld heb dan toen, voel ik me steeds armer worden sinds ik terug ben in Nederland. Hier werk ik hard en sta laag op de maatschappelijke ladder. Want ook in het rijke deel van de wereld heeft men de wens om hogerop te komen. Mensen willen een meer salaris, een verdere vakantie of een groter huis. Vergelijking met onze directe buren vergroot de wens naar meer en beter. Wat logisch is, want onze buren en reclames zien we wél dagelijks en de arme Afrikaan niet. De Afrikaan of de Nicaraguaan behoort in onze ogen niet tot ‘onze groep’. Maar wij dringen wel dagelijks bij hen door.

Het is menselijk om ons te meten aan onze directe omgeving. Zo begrijpen we onze eigen positie in de groep en begrijpen we hoe we deze kunnen verbeteren. We willen een hoge status in onze groep om toegang te krijgen tot de beste middelen voor onszelf en onze kinderen. Maar als de top telkens wordt verplaatst doordat iedereen constant streeft naar beter, wanneer mogen we dan tevreden zijn met wat we hebben?

De top die mensen willen bereiken is relatief. Het zit in ons hoofd en verandert met onze directe omgeving. Hierdoor zitten we inmiddels in de Eerste tot en met de Derde Wereld met eenzelfde probleem: de constante wens naar meer door vergelijking. Maar het einde is zoek, want het kan natuurlijk altijd beter.

Wanneer steeds meer mensen in een globale markt winst voor ogen hebben en kapitaal zichzelf kan vermeerderen door middel van investeringen, zal economische ongelijkheid in de wereld toenemen. Geld maakt geld en zal dus waarschijnlijk in toenemende mate bij het nu al rijke deel van de wereldpopulatie terechtkomen. In de wereld van structurele rijkdom heeft men de economische (en culturele) middelen om winstgevende ondernemingen te runnen. Maar in plaats van waar is de top, zou een mens zich ook kunnen afvragen: Waar ligt de grens?

There’s room at the top, they’re telling you still
But first you must learn how to smile as you kill
If you want to be like all the folks on the hill

Danger and beauty in the Himalayas

Dhanbader brought a miraculously small daypack containing all that he would need for our nine day trek to Annapurna Base Camp. He was prepared to carry my backpack, but I had been sure to pack no more than I could carry myself. Half impressed, half lost in comprehending my independence, he allowed me to carry my own luggage. Dhan was my Nepalese guide. He had lost sight in his left eye during an exceptionally bright and treacherous snow trek 22 years ago and had survived many a bigger adventure than me.

As we ascended into the mountains, green valleys and small towns surrounded by little vegetable farms welcomed us. People in colorful clothing and typical Nepalese woolen beanies looked at us without much interest. Local school children swiftly surpassed us. Dhan was having a rather casual stroll up the gigantic mountain range that we call the Himalayas. I felt like I was slowing him down a lot.

Every now and again we stepped aside to allow for a row of donkeys or horses to pass on the narrow path. In the rhododendron forest, with trees distinguished by pink and red flowers, Dhan showed me how to drink nectar from the flowers. “Local medicine”, he explained, “very good for throat”.

After two days of hiking we reached Poon Hill. From this point onwards the trek was already worth it. With its 3.200 meters, Poon Hill can be considered a hill next to the Himalayas, of which many reach up to 8.000 meters. Buddhist prayer flags were playing in the wind. To the Nepalese a beautiful place is a sacred place. Outstretched before us we saw the Annapurna mountain range: our destination. Straight ahead we could see the proud tops of Machhapuchchhre Himal: a 7.000 meter two-topped holy mountain that is nicknamed Fishtail. Those who climb it are said to never return. On the left side behind it we saw Annapurna III, which was the mountain were to hike to and to partly climb to reach Base Camp. 

Over the next three days we did not gain any height. Though we hiked up and down many hundreds of meters every day, we always made it back to around 3.200 meters at night. Every town we passed seemed to have its own beliefs and superstitions. In one town we were not allowed to eat meat, in another it was forbidden to play music and yet another town allowed no fire.

In the evenings Nepalese guides and foreign trekkers mixed for a bit. Stories were shared and laughter was heard. Yet at night we slept in different dorms. During the freezing nights I slept in my sleeping bag and under multiple woolen blankets. I needed badly those blankets badly, including my woolen hat, socks, gloves and jacket. But I noticed that the guides’ dorms at times didn’t offer a single blanket. It disturbed me. But every time I mentioned it or proposed to divide the blankets between us, Dhan avoided the subject. This was uncharacteristic for his normal enthusiasm.

Some time on the fifth day we reached a centimeter of snow. First we were excited, but trekkers who were coming down told us that the snow was “pretty bad up there”. One trekker told us about a group that had lost three of its members in an avalanche. Unsure of what we would find, we continued hiking up through the thin layer of snow, until we reached the town of Deurali. Again situated at 3.200 meters.

In Deurali, horror stories about avalanches kept reaching us. Time-wise we could make it to Machhapuchchhre Base Camp (MBC) at 3.900 meters that day. This would be a two hour hike from Deurali and then another two hours until we would reach Annapurna Base Camp at 4130 meters, our final destination. But because of the accumulating snow and horror stories, we decided to spend the night in Deurali.

It kept on snowing that evening. It was starting to get very cold. A heater was placed under the table in our guest house. With a group of Chinese people and their Nepalese guide, we huddled up around this heater. It was the Chinese guide’s birthday and the Chinese spoiled him and us with food. Apparently food sharing is a traditional birthday thing to do in China. They told us they’d attempted to hike from Deurali to MBC that afternoon, but had been forced to return. A video showed how their sight had suddenly been blocked by a grey cloud coming from the valley at high speed. Another video showed us an avalanche on the other side of the valley. People were screaming in the background. The group had concluded that it was way too dangerous to hike any further. They had decided to descend the next day.

Five trekkers were missing by now, a topic causing grave silence between us whenever it came up. By now we had learned that the track between Deurali and MBC is the biggest avalanche danger zone of Nepal, of which I’d had no idea and neither had my guide book. That evening the guide of the Chinese received a phone call, saying that the people at both Machhapuchchhre and Annapurna base camp were stuck there.

Dhanbader is a combined name of the word ‘strength’ and ‘rice’. Dhan knows the mountains very well. He was not giving up yet and said we’d see what the path would look like in the morning. So the next morning at 6 AM we were ready. Dhan told us that walking in an avalanche danger zone is best done before 8 AM, when the sun hasn’t sufficiently warmed up the snow in order for it to melt and fall down. I wondered whether we shouldn’t consider not walking in an avalanche danger zone at all. But at that time the snowfall returned and even Dhan had to admit defeat.

One centimeter of snow had become twenty centimeters overnight. I felt no disappointment. I was lucky. Those five people who were missing, was someone even looking for them? No helicopter could fly in this weather. As for us: we could neither proceed nor walk down. So we sat around the table again with the Chinese. But this time without the heater. There was tension in the room. I read a book and drank hot chocolate to warm myself up.

Fortunately only a few hours later the snowfall decreased. We seized our chance and began a fast descend. Dhan and I jumped through the fresh snow and surpassed people who were walking very carefully. Only once I fell on the slippery path. Dhan walked back to me and commented worriedly: “also avalanche danger zone”, while pointing at the open areas in between the trees up the mountain slope. I started to recognize them now and realized the danger. He wanted us to get out of there as soon as possible. I noticed that there now was snow on much lower altitudes than the day before. Many hours passed before the snowfall around us turned to rain. Taking few breaks, we continued hiking down in the rain all day. In the evening we reached the first perceived safe town of Chomrong.

We checked into a guest house to find more trekkers there who had stranded in Chomrong on their way up or down. Dhan estimated it wouldn’t be possible to hike up for the next three weeks. On our second day in Chomrong the sky cleared up and three helicopers flew in. They managed to rescue the people who had been stuck in the base camps. Some people were dropped off in Chomrong, others were taken to hospitals in Pokhara and Kathmandu. We learned that the path on which we had walked down only two days before, had been hit by a few avalanches and was no longer accessible. Five people had died in the avalanches. Another person had died from high altitude sickness when she had reached base camp.

Because the rain had stopped, we decided to pack our wet bags and continue our descend. We walked for another eight hours, leaving the sound of helicopters far behind us. This is when Dhan pointed out the difference in rescue operations for tourists and local people. For a tourist a helicopter rescue is always arranged and is often covered by insurance. But the Nepalese guides, sherpas and inhabitants of the mountain villages had no way of affording a helicopter rescue when being hit by an avalanche or getting stuck because of one. Neighboring towns first had to collect money in order to send a search helicopter. The risk that the Nepalese took in the Himalayas was of a different level than my own. I had not been quite aware of that.

Trekking in the Himalayas was one of the most beautiful experiences of my life. Yet I learned how ill prepared we can enter some areas as a tourist. We don’t realize how little we know about potential hazards in an area unfamiliar to us. And this was not the last time that I would learn this lesson in Nepal. Increased tourism makes more places easily accessible, which brings new opportunities as well as risks for tourists and local people alike. It is important to be aware of this while enjoying the beauty of our world.

Butterfly lessons

Chaos theory teaches us that the flapping wings of a butterfly can start the formation of a hurricane, taking place weeks later. Small actions can have large effects that we cannot always predict. This is called the Butterfly Effect. I was reminded of the Butterfly Effect when I learned of a local legend during a visit to Nepal.

Legend says that one day a man was wandering the streets of a village, begging for money. Only one woman was kind enough to give him some coins. The poor man then warned the woman about the coming flood.

The man turned out to be a god in disguise. Quickly, the woman and her children fled into the hills to become the only people who would survive the flood. The flood then formed the Fewa Lake in Nepal. The woman and her children settled next to the lake and were the first inhabitants of a city that is now called Pokhara. A small act of kindness had led to the survival of this woman, her children and their descendants.

Centuries later a traveler, being myself, was paddling a canoe on the Fewa Lake. Its water was shimmering in the sunlight at the foot of forested highlands. The backdrop showed the majestic mountain range that we now call the Himalayas.

I was feeling alive. The still water allowed for a peace of mind that is impossible to find in the city. My story, however, was less exciting than that of the legendary woman. It was time for me to return the canoe to the shop from which I had rented it.

As I was paddling back, I noticed something small and pink struggling in the water. I could make out a tiny butterfly. It was slowly drowning. At first I decided to continue paddling and let nature take its course. But then the memory of the legend of kindness made me I change my mind. I steered my canoe back around and with some moving back and forth, I managed to get my paddle underneath the drowning pink butterfly. I saved it by lifting it into my canoe. My personal act of kindness.

As I directed the canoe back towards the mountainous shore, I noticed something else floating in the water. Exactly in the spot from where I had just lifted my paddle. It was a bigger butterfly, coloured black with turquoise markings on its wings. But one wing was split in half. I had killed it. By saving one butterfly, I had killed another. One effect of my small act of kindness was murder.

Maybe this was a lesson in letting nature take its course. Unless the pink butterfly turns out to be a god in disguise and the black butterfly was about to cause a hurricane.

We can only make decisions to the best of our abilities.

Een Australisch oogstseizoen

Een temperatuur van boven de 40 graden is hier niet ongewoon. Toch draag ik een lange spijkerbroek, een shirt met lange mouwen en een donkere hoed als bescherming tegen de zon. De v-hals van mijn shirt is nu een permanente gebruinde afdruk op mijn huid. Typisch uiterlijk voor een boer.

Een rij van tien vrachtwagens staat voor mijn neus. Ik wijs omhoog om aan te geven dat de eerste zijn trailer mag legen in het rooster. Halverwege houd ik mijn hand op om de trailer te stoppen, anders overstroomt het rooster met graan.

Het graan moet een paar minuten in het rooster dalen en ik loop alvast naar de volgende vrachtwagen. Op het formulier van de chauffeur check ik of hij voor het juiste rooster staat. Ik wil geen verschillende kwaliteiten graan gaan mixen tot iets wat in prijs daalt. Mijn 10 liter waterfles is gevuld met ijs en staat naast me om de lange dag door te komen.

De oogst in Australië’s Central Wheatbelt is in volle gang. Vrachtwagens gevuld met vijftig ton graan rijden de opslagplaats op en af. Cooperative Bulk Handling (CBH) Group is een fenomeen. Het is de West-Australische organisatie die graan opslaat, bewerkt en doorverkoopt. Door de hele staat liggen opslagplaatsen om jaarlijks de massale oogst op te vangen in de maanden oktober tot en met januari.

West-Australische boeren verdienen hun jaarinkomen in deze maanden. Zij zijn tevens de eigenaren zijn van CBH Group: “Kunnen jullie niet 14 uur per dag werken? Of 16?” Onze werkuren stapelen zich op tot boven de 80 uren per week.

Op sommige dagen trilt de hete lucht akelig boven de grond. Wanneer ik tijdens mijn lunchpauze in de auto stap, draag ik leren handschoenen om mijn handen te beschermen tegen het gloeiend hete stuur. Mijn draaiende autobanden doen het asfalt smelten. Tijdens het half uur lunchpauze in de airco van de hut komt mijn lichaam langzaam uit de noodtoestand en verlaagt mijn hartslag aanzienlijk.

Maar vanaf het middaguur wordt het pas echt warm – dan kruipen mijn collega’s en ik als reptielen op de grond, op zoek naar een plek in de schaduw. Dit is de koelste plek van de opslagplaats. Daar liggen we dan, collega’s, wachtend op de volgende vrachtwagen. Om en om nemen we een taak op ons, om het draaglijk te houden. Tot de zon ondergaat.

Op deze manier gaat de oogst maanden door. Wanneer iedereen klaar is, hangt af van de machines en het weer. Bij droogte en hoge temperaturen oogsten de boeren makkelijker en gaat de kwaliteit van het graan omhoog. Bij regen ligt alles dagen stil, want dan is de grond te modderig om er met de zware oogstmachines op te rijden.

Te nat graan of graan dat juist te weinig regen heeft gezien, krijgt de kwalificatie feed. Voedsel voor dieren. Het levert het minst op en komt het vaakst voor. Via onze walkie talkies horen we de eerste en tweede boer met H1 binnenrijden: de hoogste kwaliteit graan en de hoofdprijs. Dit is echt een uitzondering in het droge Australië.

Na verloop van tijd wennen de temperaturen. Lange werkdagen gaan met ons humeur aan de haal. We kopen waterballonnen en niemand is veilig. Via walkie talkies lokken we elkaar in een hinderlaag van waterbombardementen. Vrachtwagenchauffeurs zetten flessen water naast zich neer die ik, verrast en dankbaar, over me heen krijg wanneer ik naast hun vrachtwagen sta om de graansoort na te kijken. Soms wordt me een flesje bourbon of bier toegestopt. Ik bewaar ze in mijn waterfles met ijs tot direct na sluitingstijd.

Wanneer één van de transportbanden kuren heeft en 10 ton graan eraf stroomt, zwoegen we uren met schep en kruiwagen in de zon. Ik word fit en bruin en breng mijn leven door tussen de graankorrels.

Deze boeren runnen een miljoenenbedrijf afhankelijk van deze extreme weersomstandigheden. Daar moet je wel wat ballen voor hebben.

The peace of wild things by Wendell Berry

When despair for the world grows in me
and I wake in the night at the least sound
in fear of what my life and my children’s lives may be,
I go and lie down where the wood drake
rests in his beauty on the water, and the great heron feeds.
I come into the peace of wild things
who do not tax their lives with forethought
of grief. I come into the presence of still water.
And I feel above me the day-blind stars
waiting with their light. For a time
I rest in the grace of the world, and am free.

Text: Wendell Berry
Photo: Samantha Zuidam

Update uit de jungle: een interoceanisch kanaal door Nicaragua

Piraten bezeilden de Caribische Zee van de zeventiende tot de negentiende eeuw. Zij bereikten ook de San Juan rivier in Nicaragua. Volgens bronnen van de Spanjaarden was de rivier namelijk een van de twee gebieden in Nicaragua waar goud was. Bovendien was de rivier een handige ingang van de Caribische Zee naar Lake Nicaragua en een afsnijroute naar het midden van Centraal-Amerika.

Halverwege de San Juan rivier ligt het dorp El Castillo. Door de dichte jungle is infrastructuur ver te zoeken en is het dorp alleen bereikbaar per boot. Maar door haar historie van reizigers zijn er verrassend veel guest houses in El Castillo. Het goud uit de Spaanse legendes is nooit gevonden.

Vandaag, in de eenentwintigste eeuw, eneemt lokale gids Alfredo me mee in zijn bootje om te gaan zwemmen. In deze riviertak zouden geen krokodillen leven. Omwonende boeren hebben de krokodillen afgeschrikt (lees: afgeschoten), omdat de krokodillen hun koeien opaten. Ik heb Alfredo gisteravond ontmoet en hoop dat hij de rivieren inderdaad zo goed kent als dat hij beweert.

Alfredo komt uit Bluefields, de havenstad waar de San Juan rivier van de Caribische Zee Nicaragua binnen stroomt. Want dat is ook bijzonder aan deze rivier: het brengt zout water van de Caribische Zee naar Lake Nicaragua in het midden van het land. Er leven daarom zelfs haaien in het meer.

In de havenstad Bluefields is steeds minder werk en daarom heeft Alfredo recent in El Castillo een restaurant geopend. Daarnaast is hij begonnen als tour guide. Om deze reden zitten we nu in zijn boot. “Het is wennen, maar de mensen in El Castillo zijn erg aardig”, vertelt Alfredo onderweg naar de riviertak. Toch is hij niet helemaal gerust over zijn toekomst: “Grote veranderingen zijn op komst, veranderingen van een internationaal karakter.”

De veranderingen die Alfredo bedoelt, komen soms op ons nieuws voorbij. Er is al jaren een plan om een interoceanisch kanaal te bouwen in Nicaragua. Groter dan het Panamakanaal. Er wordt nog onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van zo’n kanaal. Als groot voordeel wordt gezien dat internationale handel met Nicaragua zal toenemen. Nicaragua zou zich hierdoor kunnen eindelijk kunnen meten aan andere landen, met name haar buurlanden Costa Rica en Panama. Dit is hard nodig, vertelde een lokale man me tijdens een busrit: “terwijl wij onszelf intern aan het vernietigen waren, groeiden de economieën van onze buurlanden”. Nicaragua is sinds de revolutie van 1979 nog altijd bezig aan haar economische comeback. “Waarom zien mensen niet in dat we met het geld van een sterkere economie nieuwe bossen kunnen planten in heel Nicaragua?”

Dat is de andere kant van de medaille. De regering van Costa Rica, het land dat grenst aan Nicaragua aan de zuidelijke oever van de San Juan rivier, is fel tegen het aanleggen van een kanaal. Zoals bekend van Panama, heeft het graven van een kanaal een vernietigende invloed op het lokale ecosysteem. Costa Rica zou alleen de ecologische nadelen ondervinden en geen van de economische voordelen.

Ook Alfredo is bang voor de gevolgen van een mogelijk kanaal. Volgens hem zou een kanaal ervoor zorgen dat het waterniveau van zowel Lake Nicaragua als de San Juan rivier flink zullen dalen, wat een verstoord ecosysteem in een groot gebied zou veroorzaken. Maar Alfredo twijfelt ook aan de beloofde economische voordelen: “Wij spreken geen Engels en hebben het geld niet voor de juiste educatie. We bezitten de middelen niet om te profiteren van de toegenomen handel. De Chinezen zullen komen en profiteren.” De economische voordelen zijn volgens hem dus vooral voor de Nicaraguaanse regering en de Chinezen. De rechten om een interoceanisch kanaal te laten bouwen in Nicaragua zijn jaren geleden al gekocht door een Chinese multinational.

Sommige Nicaraguanen beschikken wel degelijk over middelen om te kunnen profiteren van de mogelijkheden van een kanaal. Er zijn steeds meer Nicaraguaanse tieners en twintigers die studeren en Engels leren. Maar dit is tot nu toe een selecte, rijkere groep. Het klassenverschil in Nicaragua is groot. Het is geen nieuws dat in armere landen vaak een middenklasse ontbreekt.

Alfredo stuurt zijn boot naar een zijtak van de San Juan rivier. Op een strandje legt hij de boot stil. Hier zouden geen krokodillen meer leven. Ik ben ontzettend bang voor krokodiller. Ik daag ik Alfredo uit om te demonstreren dat het veilig is door eerst zelf te gaan zwemmen. Lichtelijk verbaasd kijkt hij me aan, maar hij aarzelt geen moment en glijdt soepel het water in. Terwijl Alfredo tussen de groene overhangende junglevegetatie borstcrawlt, zet ik me over mijn angst heen en glijd langzaam het water in. Niets bijt. Ik laat me op mijn rug drijven in het bruine rivierwater. Dit water, het dichte groen langs de oever en boven mijn hoofd: het is allemaal onderdeel van dat indrukwekkende jungle-ecosysteem dat zich zo complex in stand houdt.

Na het overleven van de boottocht, vind ik in het museum van El Castillo oude kaarten met interessante historische gegevens. Het plan van de Chinezen blijkt niet de primeur voor een interoceanisch kanaal door Nicaragua. In de negentiende eeuw bouwden de Amerikanen een kanaal dat van de Pacifische Oceaan naar Lake Nicaragua liep. De San Juan rivier fungeerde als verbinding met de Caribische Zee. Dit interoceanisch kanaal werd gebruikt als handelsroute tussen San Francisco en New York. Er begon echter een burgeroorlog in Nicaragua, die de afronding van het project blokkeerde. De Amerikanen werden gedwongen het land te verlaten en als plan B werd het Panamakanaal gebouwd.

Maar plan A blijft plan A. Ruim een eeuw later circuleren de handelsplannen voor een kanaal door Nicaragua nog steeds. Nu bij een andere economische grootmacht. De tijd zal leren of het kanaal er ooit komt. De Chinese multinational die de rechten bezit voor de bouw van het kanaal, heeft veel geld verloren in de financiële crisis van 2008. Hij houdt zich de afgelopen jaren op de achtergrond.

Een paar weken na mijn bezoek aan El Castillo sta ik op een strand aan de Pacifische kust van Nicaragua. Ik zie regelmatig grote cargo-schepen passeren. Mogelijk zijn deze schepen vanuit Noord-Amerika onderweg naar het Panamakanaal. Internationale handel neemt toe en schepen worden steeds groter. Sommige schepen zijn al te groot om door het Panamakanaal te varen. Een boost voor de economie is iets dat een arm land als Nicaragua nodig heeft. Maar tegen welke prijs? En hoe zullen de economische voordelen werkelijk worden verdeeld?

Nicaraguanen zeggen het niet voor niets veelvuldig: “Hay ventajes y disventajes.” Er zijn voordelen en nadelen…

DSCN2690

Een ontmoeting met de sterren van de Aarde

Nicaragua is droog vanwege de zomer. Bladeren vallen in herfstkleuren van de bomen. Behalve in de jungle. In hoger gelegen, vochtige gebieden heeft de Nicaraguaanse natuur nog een diepe, intense kleur groen.

Mijn bus vertrekt vanuit de stad Matagalpa. Ik reis af naar het noordoosten van het land. In de Lonely Planet heb ik gelezen over een kleine gastvrije boerderij, gelegen in het mystieke cloudforest.

De instructies opvolgend van een winkelmedewerker in de stad, stap ik na anderhalf uur rijden de bus uit op een afgelegen stuk zandweg. Er is één huis in zicht. Ik loop erheen en vraag de mevrouw op de veranda naar Finca Don Chico. De vrouw wijst naar een andere zandweg, welke richting het gebergte loopt.

Het cloudforest ligt in natuurreservaat Peñas Blancas. Dit tropisch regenwoud ligt in een hooggebergte en wordt gesluierd door mystieke laaghangende wolken. Aan de voet van een van de heuvels ligt Finca Don Chico. Deze boerderij is van de gelijknamige Don Chico, wiens kinderen en kleinkinderen ook op zijn land wonen en werken. Terwijl de mannen het land onderhouden en capoeiralessen geven aan enkele bezoekers per jaar, runnen de vrouwen een klein restaurant.

Direct nadat ik mijn backpack in mijn kamer heb gelegd, vraagt Don Chico’s zoon Arturo of ik een rondleiding wil door het regenwoud. Dat wil ik wel. Arturo beweegt zich geruisloos en soepel voor mij uit over smalle paadjes en gladde boomstammen. Arturo heeft weinig andere plekken gezien naast de nabije stad voor zijn opleiding tot boer. Die drukte vond hij maar niks. Hij wil op de boerderij blijven met zijn vrouw en kind. Arturo wijst me op tropische vogels, bananen- en koffieplantages en medicinale planten.

‘s Avonds kijken we vanaf een heuvel we hoe de zon Don Chico’s plantages langzaam oranje kleurt. Arturo plukt een paar bananen van de plantage voor ons. Hij zegt dat we ergens op wachten. Er zal straks een witte streep aan de horizon verschijnen. “Het verschijnt altijd vlak na zonsondergang. Ik denk dat het een meteoriet is of iets anders uit de ruimte.” Ik ben benieuwd. “Op een zeker moment zal de streep in tweeën breken.”

In de laatste vurige gloed van de avond verschijnt er inderdaad een witte streep aan de hemel. Het is een vliegtuig.

In het donker onderweg terug naar huis lichten er om ons heen stipjes op in het bos. “Las estrellas de la tierra,” legt Arturo uit. De sterren van de aarde. Hij vangt een van de sterren en opent zijn hand. Voor het eerst zie ik een vuurvlieg van dichtbij.

We wandelen terug naar huis. Zonder elektriciteit, zonder mobiel bereik en bijgeschenen door de sterren van de lucht en de sterren van de aarde.

‘s Ochtend maakt Don Chico me vroeg wakker om zijn zes koeien te melken. Ik verbaas me erover hoe zwaar het is om een koe te melken. Na mijn nutteloze maar hopelijk gezellige hulp, verplaats ik mij naar het restaurant, waar de vrouwen ontbijt maken voor lokale voorbijgangers. Het is een komen en gaan van mensen op scooters. Iedereen komt onderweg naar hun werk ontbijt komen halen.

Die middag neemt Don Chico me mee voor een urenlange wandeling door het hooggebergte. Hij leidt me langs stroompjes, watervallen, varens en gigantische bladeren. Wanneer Don Chico een bekend geluid hoort, wijst me op een toekan.

Door de laaghangende wolken is er constant motregen. De stenen en modder onder onze voeten zijn glibberig. Sommige stukken zijn best spannend om te lopen. Voor mij dan, want de oudere Don Chico, vastbesloten om me naar een van de hoogtepunten van het bos te brengen, wandelt alsof hij dit gebergte al duizend keer heeft beklommen.

Na een steile klim bereiken we de top van een van de heuvels. De boerderij ligt ver onder ons en is al lang niet meer zichtbaar. Don Chico leidt me door de bomen naar een afgrond met overhangend groen. Plotseling kijken we uit op een hoge waterval, die zich vanaf een andere heuvel de afgrond in stort. De oude man kijkt me stralend aan. Dit hooggebergte zit vol verrassingen die ik nooit zal ontdekken. En Don Chico weet wat voor schatkist hij bezit.