Ik werk nu in een winkel om mijn afgestudeerd-en-er-zijn-geen-banen-crisis te overbruggen. Het is een cadeauwinkel in het centrum van Amsterdam. In de aanloop naar de feestdagen brengt een cadeauwinkel verlichting voor menig Amsterdammer. Tienduizenden sinterklaas- en kerstcadeautjes vliegen over de toonbank. Ik probeer mij met binnenpretjes staande te houden naast de mens in een van haar meest asociale rollen: consument.
De transformatie van sociaal wezen naar consument gebeurt direct bij binnenkomst. Medewerkers achter de kassa worden niet gegroet. Langzaam loopt de consument langs de schappen en de wanden. Onze lokkende opstelling van producten werkt feilloos. Mandjes worden volgeladen met producten die de consument nodig denkt te hebben. Dit terwijl hij of zij vijf minuten geleden nog niet van het bestaan van deze producten afwist. Is dit waar het geldoverschot van de werkende mens heen gaat? Ondertussen vullen mijn collega’s en ik de lege gaten aan met nieuwe ladingen. Het gaat hier om duizenden aanvullingen per dag.
Soms stoten mensen tegen iets aan. Een glazen of stenen product valt op de grond in honderden stukken. Verbaasd staat de consument er dan naar te kijken, alsof de rotzooi op de grond uit zichzelf zal verdwijnen. “Is dat erg? Moet ik ervoor betalen?” vraagt de consument. “Nee hoor, dat kan gebeuren”, zeg ik. Ik neem aan dat u thuis regelmatig vazen en glazen van tafel stoot.
Een man aan de kassa gooit spullen voor me neer. “And that bag with the clown over there, because today I am smiling.” Maar hij lacht niet. Ik pak de clownstas voor hem. “Are you in a bad mood today?” vraag ik beleefd. “Yes”, antwoordt hij, “because that man before me was very rude.” Dat had ik ook gemerkt. “I think he was drunk”, zeg ik. Zo rook het in elk geval. Ik geef de man zijn gevulde tas. “At least you’ve got your clown’s bag now.” De man moet lachen en roept naar zijn vriendin in de andere rij: “The people who work here are having fun.”
De kassa is de plek van onvermijdelijke confrontatie tussen consument en medewerker. De producten worden afgerekend voor een bedrag van meestal tientallen euro’s. Beleefd vragen wij: “Wilt u er voor 20 cent ook een tasje bij?” De gevraagde twintig cent zorgt bijna altijd voor spanning. Er is de teleurgestelde, verwijtende reactie: “Ja, hoe moet ik het anders meenemen?” Maar de andere kant op raakt men ook beledigd: “Nee ik hoef geen tasje van twintig cent, ik heb zelf een tas bij me.” Er is bijna geen manier om de kostbare tas zonder conflict aan te bieden.
Na een reeks van onterechte beledigingen gebruik ik soms een aangepaste volgorde van de vraag. “Wilt u er een tasje bij?” “Ja, graag”, antwoordt de consument dan blij. “Dat is dan twintig cent.” Na het horen van deze prijs, passen de producten volgens de consument misschien wel in de eigen tas. Mensen die een rendierbeeldje van 3 euro kopen, lijken verder dramatisch krap bij kas te zitten. De consument probeert de producten in andere overvolle plastic tasjes te proppen of neemt meerdere losse producten in de armen. Dit om tijdens het weglopen alsnog een tasje af te rekenen. “Ja, natuurlijk mag u alsnog een tasje”, lach ik beleefd.
Als je met vijftig andere mensen een winkel binnen gaat, kan het zijn dat je even moet wachten bij de kassa. Wanneer ik een extra kassa beman om de rij te verkorten, vraag ik: “Wie is de eerstvolgende?” “IK!” klinkt het vanaf meerdere kanten. Mijn hemel. Hoe veel uur staan jullie hier al? “Kan ik u helpen?” vraag ik aan de dichtstbijzijnde mevrouw. Dit leidt tot luid protest van links en rechts. “Ik was eerst”, klinkt het van twee kanten.
“U mag wel eerst iemand anders helpen hoor, ik kan wel even wachten”, zegt de mevrouw die ik wilde helpen. Yes, er bestaan nog sociale mensen. “Dank u”, antwoord ik. En dan luid genoeg zodat de hele rij het kan horen: “Ik help wel eerst de boze mensen, dat is beter voor de sfeer.” Ik richt me tot de rij: “Wie is er het boost? Die mag als eerst afrekenen.” Iedereen is plotseling stil. Men lijkt zich te realiseren zichzelf verloren te zijn in de koopziekte. De mevrouw die net het hardst “ik” riep, stapt naar voren en geeft mij voorzichtig een kerstbal. “Maar ik ben niet boos, hoor”, voegt ze er zachtjes aan toe. Tja, ik nu wel.
De winkel is een ravage na een drukke dag. Ik heb een vernieuwd perspectief op de feestdagen. Er lijkt een maand van oorlog vooraf te gaan aan twee dagen vrede.
