Category: Nicaragua

  • De wens naar meer door vergelijking. Waar ligt de grens?

    De wens naar meer door vergelijking. Waar ligt de grens?

    Na mijn masteronderzoek in Nicaragua merk ik dat ik haar mensen moeilijk kon loslaten. Dat de wereld oneerlijk is verdeeld, dat wist ik al. Maar om het te zien en voelen, gaat mij niet in de koude kleren zitten. Wat kan en moet ik met deze oneerlijke status quo?

    Van velen in Nicaragua is het salaris zo laag dat zij niet of nauwelijks geld overhouden. Terwijl zij zeven dagen per week werken. Sommige mensen worden ziek, omdat ze geen schoon drinkwater kunnen betalen. Tijd of geld besteden aan investeringen is voor een groot deel van de bevolking niet haalbaar. Hoe creëer je dan een gat naar buiten?

    Globalisering stuurt mensen en media over de hele wereld. Nicaraguanen zagen mij maandenlang niet werken, maar wel geld betalen voor luxe producten en uitstapjes. Waarom kan ik dat wel en zij niet? Ik heb geen buitengewone talenten. Ik ben op een plek geboren waar veel meer geld is. Einde verhaal. Via toerisme en media worden veel mensen dagelijks gewezen op hun nadelige financiële positie in de wereld.

    Financieel minder te besteden hebben op zich hoeft geen probleem te zijn. De consumptiemaatschappij is genadeloos. Dominerende westerse televisie maakt westers uiterlijk populair. Digitale media verspreiden reclame voor luxeproducten. Ik zag gadgets als een tablet worden nagestreefd door mensen die wonen in een huis bestaande uit vuilniszakken tussen houten palen. Geld wordt bij elkaar gesprokkeld, maar welke doelen worden hiermee bereikt? Onder armere mensen ontstaat de wens naar meer, maar niet altijd de mogelijkheid. Er ontstaat behoefte aan onmogelijke verandering. Naar vooruitgang. De psychosociale effecten daarvan zijn enorm. En dan wandel ik steeds voorbij met mijn dure camera, blonde haren en ogenschijnlijk bodemloze portemonnee. Ik help bij het in stand houden van een imago.

    And you think you’re so clever and classless and free

    Ironisch genoeg voel ik in Nederland weinig van mijn bevoorrechte economische positie in de wereld. Ik voel sociale druk. Wanneer ik na het behalen van een universitair diploma een ongeschoold beroep zou uitvoeren, dan presteer ik volgens velen onder mijn niveau. De banen met de gewenste socio-economische status liggen echter niet voor het oprapen. Hoewel het volgen van een opleiding een enorm privilege is, brengt het niet kunnen voldoen aan de bijkomende maatschappelijke verwachtingen een een enorme druk met zich mee. Bovendien liggen de kosten van levensonderhoud in Nederland zó veel hoger dan in Nicaragua, dat bepaalde arbeids- of persoonlijke omstandigheden in Nederland ook serieuze financiële spanning veroorzaken. Met weer die psychosociale gevolgen. Soms zijn de financiële vangnetten van de Nederlandse overheid niet genoeg om de beloofde ‘verzorgingsstaat’ te zijn.

    When they’ve tortured and scared you for twenty odd years
    Then they expect you to pick a career
    When you can’t really function you’re so full of fear

    In Nicaragua bevond ik me aan de maatschappelijke top van succes, zonder dat ik er iets voor deed. Hoewel ik sinds ik terug ben in Nederland meer geld heb dan toen, voel ik mij steeds armer worden. In Nederland werk ik hard en sta ik laag op de maatschappelijke ladder. Ook in het rijke deel van de wereld heeft men de wens om hogerop te komen. Veel Nederlanders willen meer salaris, een groter huis of een vakantie naar een ver oord. Vergelijking met onze vrienden, kennissen en collega’s vergroot de wens naar meer en beter. Evenals de prachtige situaties die op sociale media voorbij komen. Dit is allemaal logisch, want onze buren en sociale media zien we dagelijks en de arme Nicaraguaan niet. Deze Nicaraguaan behoort in onze ogen wellicht niet, of niet constant, tot de groep waarmee wij ons vergelijken.

    Het is menselijk om ons te meten aan onze directe sociale omgeving. Zo begrijpen we onze positie in de groep en weten we wat we moeten doen om onze positie te verbeteren of ten minste te behouden. We willen beschikken over voldoende middelen om te zorgen voor onszelf en voor onze kinderen. Dit is belangrijk om de overlevingskans van onze genen te vergroten. Maar als de socio-economische top steeds wordt verplaatst doordat iedereen constant streeft naar beter, wanneer mogen we dan tevreden zijn met wat we hebben?

    De top die wij als mensen willen bereiken is relatief en dynamisch. Deze zit in ons hoofd en verandert met onze directe omgeving. Hierdoor zit de hele wereld met eenzelfde probleem: de wens naar meer door vergelijking. Maar het doel is zoek in dit streven. Want waar ligt het eindpunt van onze vooruitgang? Heeft onze ‘vooruitgang’ wel een eindpunt? En hoe weten we dan of we überhaupt vooruit gaan?

    Wanneer mensen in een toenemend globale markt winst en bezit nastreven, en kapitaal zich vermeerdert door middel van investeringen, dan komt de winst terecht bij mensen die al rijk zijn. Economische ongelijkheid in de wereld zal toenemen.

    Gelukkig is de menselijke definitie van vooruitgang óók dynamisch. In plaats van ‘Waar is de top?’ zou de mens zich kunnen afvragen: ‘Waar ligt de grens?’

    There’s room at the top, they’re telling you still
    But first you must learn how to smile as you kill
    If you want to be like all the folks on the hill

  • Mogelijk ‘tweede  Panamakanaal’ door Nicaragua

    Mogelijk ‘tweede Panamakanaal’ door Nicaragua

    Piraten bezeilden de Caribische Zee van de zeventiende tot de negentiende eeuw. Volgens bronnen van de Spanjaarden was de San Juan rivier in Nicaragua een van de twee gebieden in Nicaragua waar goud te vinden was. Bovendien was de rivier een handige ingang naar Lake Nicaragua. En zo een afsnijroute naar het midden van Centraal-Amerika.

    Het dorp El Castillo ligt halverwege de San Juan rivier. Door de dichte jungle is het dorp alleen bereikbaar per boot. Maar door haar historie van reizigers zijn er verrassend veel guest houses in El Castillo. Het goud uit de Spaanse legendes is echter nooit gevonden.

    Nabij El Castillo neemt lokale gids Alfredo mij mee in zijn bootje om te gaan zwemmen in een riviertak waar geen krokodillen zou leven. Omwonende boeren hebben de krokodillen afgeschrikt (lees: afgeschoten), omdat de krokodillen hun koeien opaten. Alfredo komt zelf uit Bluefields: de havenstad waar de San Juan rivier het land binnen stroomt vanuit de Caribische Zee. Dat is ook bijzonder aan deze rivier: het brengt zout water van de Caribische Zee het land binnen. Er zwemmen daarom zelfs haaien in Lake Nicaragua.

    In de havenstad Bluefields is steeds minder werk en daarom heeft Alfredo recent in El Castillo een restaurant geopend. Daarnaast is hij begonnen als tour guide. Om deze reden zitten we nu in zijn boot. “Het is wennen, maar de mensen in El Castillo zijn erg aardig”, vertelt Alfredo onderweg naar de riviertak. Toch is hij niet helemaal gerust over zijn toekomst: “Grote veranderingen zijn op komst, veranderingen van een internationaal karakter.”

    De veranderingen die Alfredo bedoelt, komen soms op ons nieuws voorbij. Er is al jaren een plan om een interoceanisch kanaal te bouwen in Nicaragua. Groter dan het Panamakanaal. Er wordt nog onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van zo’n kanaal. Als groot voordeel wordt gezien dat internationale handel met Nicaragua zal toenemen. Nicaragua zou zich hierdoor kunnen eindelijk kunnen meten aan andere landen, met name haar buurlanden Costa Rica en Panama. Dit is hard nodig, vertelde een lokale man me eerder tijdens een busrit: “Terwijl wij onszelf intern aan het vernietigen waren, groeiden de economieën van onze buurlanden. Waarom zien mensen niet in dat we met het geld van een sterkere economie nieuwe bossen kunnen planten in heel Nicaragua?” Nicaragua is sinds de revolutie van 1979 nog altijd bezig aan haar economische comeback.

    Dan is er de andere kant van de medaille. De regering van Costa Rica, het land dat grenst aan Nicaragua aan de zuidelijke oever van de San Juan rivier, is fel tegen het aanleggen van een kanaal. Zoals bekend vanuit Panama, heeft het graven van een kanaal een vernietigende invloed op het lokale ecosysteem. Costa Rica zou alleen de ecologische nadelen ondervinden en geen van de economische voordelen.

    Ook Alfredo is bang voor de gevolgen van een mogelijk kanaal. Volgens hem zou een kanaal ervoor zorgen dat het waterniveau van zowel Lake Nicaragua als de San Juan rivier flink zullen dalen, wat een verstoord ecosysteem in een groot gebied zou veroorzaken. Maar Alfredo twijfelt ook aan de beloofde economische voordelen: “Wij spreken geen Engels en hebben het geld niet voor de juiste educatie. We bezitten de middelen niet om te profiteren van de toegenomen handel. De Chinezen zullen komen en profiteren.” De economische voordelen zijn volgens hem dus vooral voor de Nicaraguaanse regering en de Chinezen. De rechten om een interoceanisch kanaal te laten bouwen in Nicaragua zijn jaren geleden al gekocht door een Chinese multinational.

    Sommige Nicaraguanen beschikken wel degelijk over middelen om te kunnen profiteren van de mogelijkheden van een kanaal. Er zijn steeds meer Nicaraguaanse tieners en twintigers die studeren en Engels leren. Maar dit is tot nu toe een selecte, rijkere groep. Het klassenverschil in Nicaragua is groot. Het is geen nieuws dat in armere landen vaak een middenklasse ontbreekt.

    Alfredo stuurt zijn boot naar een zijtak van de San Juan rivier. Op een strandje legt hij de boot stil. Hier zouden geen krokodillen meer leven. Ik ben ontzettend bang voor krokodillen. Ik daag ik Alfredo uit om te demonstreren dat het veilig is door eerst zelf te gaan zwemmen. Hij aarzelt geen moment en glijdt soepel het water in. Terwijl Alfredo tussen de groene overhangende junglevegetatie borstcrawlt, zet ik me over mijn angst heen en glijd ook langzaam het water in. Niets bijt. Ik laat me op mijn rug drijven in het bruine rivierwater.

    Na het overleven van de boottocht, vind ik in het museum van El Castillo oude kaarten met interessante historische gegevens. Het plan van de Chinezen blijkt niet de primeur voor een interoceanisch kanaal door Nicaragua. In de negentiende eeuw bouwden de Amerikanen een kanaal dat van de Pacifische Oceaan naar Lake Nicaragua liep. De San Juan rivier fungeerde als verbinding met de Caribische Zee. Dit interoceanisch kanaal werd gebruikt als handelsroute tussen San Francisco en New York. Er begon echter een burgeroorlog in Nicaragua, die de afronding van het project blokkeerde. De Amerikanen werden gedwongen het land te verlaten en als plan B werd het Panamakanaal gebouwd.

    Maar plan A blijft plan A. Ruim een eeuw later circuleren de handelsplannen voor een kanaal door Nicaragua nog steeds. Nu bij een andere economische grootmacht. De tijd zal leren of het kanaal er ooit komt. De Chinese multinational die de rechten bezit voor de bouw van het kanaal, heeft veel geld verloren in de financiële crisis van 2008. Hij houdt zich de afgelopen jaren op de achtergrond.

    Een paar weken na mijn bezoek aan El Castillo sta ik op een strand aan de Pacifische kust van Nicaragua. Ik zie regelmatig grote cargo-schepen passeren. Mogelijk zijn deze schepen vanuit Noord-Amerika onderweg naar het Panamakanaal. Internationale handel neemt toe en schepen worden steeds groter. Sommige schepen zijn al te groot om door het Panamakanaal te varen. Een boost voor de economie is iets dat een arm land als Nicaragua nodig heeft. Maar tegen welke prijs? En hoe zullen de economische voordelen werkelijk worden verdeeld?

    Nicaraguanen gebruiken niet voor niets veelvuldig de uitdrukking: “Hay ventajes y disventajes.” Er zijn voordelen en nadelen.

  • Portret van een Globaliserend Nicaragua

    Portret van een Globaliserend Nicaragua

    Het is warm in het noordelijk hooggebergte van Nicaragua. De passagiers in de bus worden aan alle kanten tegen elkaar geplet; mijn benen plakken aan het nep leren rode busbankje. We rijden over een asfaltweg, totdat we een aantal gravende mannen passeren. Wegwerkers. Daarna gaat de asfaltweg over in een zandpad met stenen. Tot nu toe loopt de moderne weg tot hier en niet verder.

    Huisjes van hout en golfplaten schieten langs de ramen. Een enkel gebouw bestaat uit steen. Vaak een overblijfsel uit de Spaanse koloniale tijd. Af en toe komt er uit tegengestelde richting een huifkar voorbij, beladen met hooi of zakken voedsel. Op weg naar de stad Matagalpa.

    De omliggende heuvels nemen toe in grootte. Aan alle kanten wordt de bus nu omringd door valleien met bananenbomen. Banenbomen verschaffen de onderliggende koffieplantages van de nodige schaduw. De sfeer in de bus is ontspannen en ik luister naar muziek. Ik denk na over het Nicaragua dat ik nu ken.

    De Nicaraguanen zijn een trots volk. Zelfstandig en innovatief. Haar onafhankelijkheid is haar trots, zowel politiek als natuurlijk door een rijkdom aan grondstoffen. Vissers en boeren voeden het land met kleine bootjes en plantages. Kunstenaars maken schilderijen, kleding en andere artefacten met welke opbrengst ze zichzelf en hun community onderhouden. Veel wordt geïnvesteerd in de community – ‘vrijwilligerswerk’ lijkt vanzelfsprekend in Nicaragua. Vanuit de community worden projecten georganiseerd voor armen, zieken en analfabeten. Men doneert een deel van het weinige geld dat hij of zij verdient aan deze projecten, die door talloze mensen worden aangekondigd in de bus of op andere publieke plaatsen. Of men helpt op een participatieve manier mee in zijn of haar eigen community.

    Het land probeert te groeien, zowel economisch als sociaal. Steeds meer Nicaraguanen gaan studeren aan een van de vele universiteiten van het land. Dit belooft bewustwording en de daarbij komende innovatie. Zo zijn er op veel plekken projecten aan de gang tegen de schokkende afvalvervuiling in het land, met name door plastic. Met meer vuilnisbelten en prullenbakken op straat probeert men natuur en gezondheid te sparen. Werken doet het schijnbaar nog niet, maar de wil en kennis lijken toe te nemen.

    Hetzelfde geldt voor vrouwenrechten; deze worden overal aangekaart op banners in de straten. De banners benadrukken dat het gebruiken van geweld tegen een vrouw een misdaad is. Vrouwen worden opgeroepen om hun stem te laten horen. Ook hier is er in de praktijk nog een lange weg te gaan, maar men kijkt een bepaalde kant op. Het land wil duidelijk verbeteren op eigen kracht.

    Het koloniaal verleden zit diep bij de meeste Nicaraguanen. Alleen al de nationale taal, katholieke religie en Spaanse architectuur op veel plaatsen in het land zijn dagelijkse herinneringen aan hoe groot de Spaanse invloed is geweest. Ik beeld me in hoe de Spanjaarden hier kwamen, eeuwen geleden, dezelfde groene heuvels en valleien ontdekkend die ik nu zie vanuit de bus. Ze stuitten op natuurlijke rijkdom en op diverse inheemse stammen. Maar de Spanjaarden waren hier niet voor mooie natuur. Ze waren hier voor goud. De hele kolonisatie ging om goud en materiële rijkdom, want de Spaanse economie stond hevig onder druk door andere Europese landen. Hoewel sommige inheemse stammen, zoals de Sutiava, zich enigszins staande hielden door een economische overeenkomst met de Spanjaarden te sluiten, werd 90% van de inheemse bevolking van Nicaragua uitgemoord of overleed aan overgebrachte ziektes. Weinig is er bekend van deze mensen, aangezien de meesten mondeling kennis overdroegen en hun kennis met hen ten onder ging.

    Door dit heftig verleden heeft bijna elke Nicaraguaan zowel Spaanse als inheemse voorouders en is ook de cultuur een mix van westers en inheems. Men spreekt Spaans en is strikt katholiek, duidelijk Spaanse overblijfselen. Maar deze worden nu ervaren als Nicaraguaans trots. Tegelijkertijd met de omarming van deze koloniale overblijfselen, wordt politieke overheersing gezien als iets heel slechts. Dit was goed zichtbaar in de krachtige revolutie van 1979 tegen de Somoza dictator-dynasty. Op straat is nog graffiti met revolutionaire leuzen te zien, met name in belangrijke steden uit die tijd zoals León en Matagalpa. Tegelijkertijd zijn op auto’s en huizen zijn ook spreuken als Alleen Christus is mijn ware Koning en Jezus is mijn Eigenaar te lezen. Het volk spreekt zich dus uit tegen een nieuwe vorm van overheersing, mede door omhelzing van Spaanse koloniale overblijfselen. De stad León met haar koloniale architectuur was zelfs het ‘hoofdkwartier’ van de revolutie tegen de dynasty. Nicaragua is dus als land verder gegaan met wat ze hadden toen de Spanjaarden vertrokken.

    Decennialang werd Nicaragua geïsoleerd door de drama’s onder de Somoza dynastie. Na de geslaagde revolutie van 1979 duurde het nog jaren voordat Nicaragua weer enigszins veilig was en nog meer jaren voordat dit tot de rest van de wereld doordrong. Het land doet hard zijn best om met buitenlandse investeerders de nationale economie te versterken – zoals het een goed kapitalistisch land betaamt, met name een land onder curatele bij de Wereldbank.

    Zoals de Spaanse taal en het katholicisme normaal zijn geworden, zo sijpelen nu op subtielere wijze nieuwe buitenlandse invloeden binnen. Sinds de laatste jaren dragen mensen bijvoorbeeld spijkerbroeken naar Amerikaans concept. In elke grote winkelstraat vind je winkels die groot adverteren met ‘Verkopen Amerikaanse kleding’. Steeds meer Nicaraguaanse jongeren spreken ook Engels. Westerse invloed wordt groter, iets wat je simpelweg globalisering zou kunnen noemen. Maar de westerse invloed op Nicaragua neemt soms ook ernstige vormen aan, waarover je hoort wanneer je met de Nicaraguanen spreekt.

    Ik herinner me de gesprekken die ik had met mijn Spaans docente in Granada. We spraken veel over de buitenlandse invloed op Nicaragua. “Siempre hay ventajes y disventajes”, zei Yorleni: er zijn altijd voordelen en nadelen. “Wat zijn dan de voordelen en nadelen?” vroeg ik. Yorleni antwoordde met het voorbeeld van een aardbeving in Laguna de Apoyo, een regio niet ver bij Granada vandaan. Jaren geleden vernietigde een zware aardbeving alle huizen in een dorp en veel inwoners werden dakloos. In plaats van dat de huizen weer werden opgebouwd, werd de meeste grond opgekocht door buitenlanders. Westerlingen zagen in deze goedkope grond een mooie locatie voor zichzelf of voor een toeristische onderneming. De originele inwoners van het dorp werden gedwongen te verhuizen door gebrek aan geld om hun eigen grond te kopen.

    Ik was even stil van dit voorbeeld en vroeg: “Gebeurt zoiets vaak in Nicaragua?” Yorleni keek me aan met een peilende blik, alsof we ons op glad ijs begaven met dit onderwerp. “Wat denk jij?” Ze ging het zelf niet zeggen. “Ik denk dat dit soort dingen heel vaak gebeuren”, antwoordde ik voorzichtig, maar duidelijk. Yorleni knikte en vertelde dat in Granada en nabije dorpen de gunstigste locaties en best lopende hotels in handen zijn van buitenlanders. Daar gaat al het grote geld heen. “Nicaraguanen hebben de financiële middelen niet om te kunnen investeren in deze locaties, de buitenlanders kopen alles op.” Ze liet geen verdere mening doorschemeren.

    “Wat zijn dan de voordelen van buitenlandse invloed?” vroeg ik haar. “Het is goed om te leren over andere culturen”, antwoordde Yorleni oprecht geïnteresseerd. Eerder had ze zich al verwonderd over de strakke spijkerbroeken van de jeugd in Granada, waar ze zich cynisch over uitliet. En over de opkomst van de ‘emo-cultuur’. “Maar verder gaan we het zien. De steeds grotere buitenlandse invloed doet me soms denken aan de Spaanse kolonisatie. Ik weet dat het niet hetzelfde is, maar de situaties lijken wel veel op elkaar in sommige aspecten.”

    “Wat denk jij hierover?” vroeg Yorleni weer. Zag zij mij ook als kolonisator? Ik had mij goed ingelezen voor mijn onderzoek en bracht voorbeelden van buurland Costa Rica en dichtbij gelegen Belize naar voren, waar westerlingen zich op deze manier ook een weg het land in hebben gekocht en gepraat. Een winstoogmerk als prioriteit, massaproductie en extreme efficiëntie worden geïntroduceerd in een cultuur die dit niet gewend is en dit niet kan bijbenen. Niet in de eerste, maar ook niet in de laatste plaats door een gebrek aan financiële middelen. Kapitalisme en een vrijemarkteconomie zijn wellicht de termen voor deze, zogezegd, nieuwe vorm van kolonisatie. Maar ik kreeg een doemscenario bijna niet over mijn hart. Ik zei haar dat de ondernemingskracht van het Nicaraguaanse volk in dit geval wellicht een verschil zou kunnen maken.

    Na mijn laatste les vroeg Yorleni mijn e-mailadres. “Ik heb veel buitenlanders lesgegeven, maar jij bent anders dan de anderen.” Na onze gesprekken vatte ik dit op als een groot compliment.

    Ik word opgeschrikt uit mijn gedachten wanneer de bus plotseling afremt in een dorpje. De bus stopt bij een tankstation met winkeltje, zoals we dit in Amerika en Europa ook kennen. Mensen stappen uit voor een toiletpauze of om wat te eten te kopen.

    Een man loopt het tankstation uit, gekleed in spijkerbroek en overhemd. Door een rietje neemt hij een slok van zijn blikje Red Bull. De jonge vrouw die aan de andere kant van het gangpad zat, keert terug in de bus met een zak snoepjes. “Do you want candy?” vraagt ze in het Engels. “Sí, gracias”, antwoord ik in het Spaans. Ze geeft me drie van haar snoepjes. Tevreden kijkt ze uit het raam, terwijl de bus weer begint te rijden.

    De oude Amerikaanse schoolbus rijdt hobbelend verder door het groen van de bananenplantages, alsof alles nooit anders is geweest. Maar ik weet wel beter. De Nigaraguanen weten beter.

  • Indianen en Internationaal Toerisme

    Indianen en Internationaal Toerisme

    Las Peñitas. Een klein dorp aan de Pacifische kust van Nicaragua. Van origine een vissersdorp, maar in de afgelopen tien jaar zijn restaurants en hotels opgezet in de hoop extra geld te verdienen aan het toerisme. Net als meer armere landen focust Nicaragua zich op internationaal toerisme om de economische situatie te verbeteren. Maar Las Peñitas is niet zomaar een opkomend toeristisch dorp. In dit dorp wonen indianen van de Sutiavastam.

    Eeuwen geleden trokken de Sutiava zuidwaarts vanuit Noord-Amerika. Ter hoogte van México was het al bewoond door de Maya’s, dus de Sutiava trokken verder. Totdat ze aankwamen in het gebied dat nu Nicaragua heet.

    In de zestiende eeuw arriveerden Spaanse kolonisatoren in het gebied. De Spanjaarden dwongen veel inheemsen om voor hen te werken. Sommige stammen bleken moeilijk tot slaaf te maken, zo ook de Sutiava. De Spanjaarden sloten een economische deal met de Sutiava. Zij kregen hun grondgebied wettelijk erkend door de toenmalige Spaanse koning. Vervolgens hielden de Spanjaarden het Sutiavagebied 300 jaar lang geïsoleerd van de buitenwereld. Na de de-kolonisatie van Nicaragua waren de Sutiava een van de weinige stammen die hun land hadden behouden.

    In de twintigste eeuw werd het Sutiavagebied opnieuw geïsoleerd. Dit keer door de dictators van de Somoza Dynasty. Er werden grote blokken steen geplaatst op de weg, die fungeerden als een soort mini Berlijnse muur. Zelfs de dichtstbijzijnde stad León, nu 30 minuten rijden met de bus, was niet toegankelijk voor de Sutiava. De Somoza dictatorreeks regeerde Nicaragua van 1937 tot de nationale revolutie in 1979. Het Sutiavagebied is dus eigenlijk pas sinds een aantal decennia niet meer geïsoleerd.

    Vanwege bovenstaande geschiedenis is de Sutiavacultuur een unieke mix geworden van traditioneel, Spaans en modern westers. Inmiddels dragen veel Sutiava spijkerbroeken, rijden op scooters en hebben een televisie in hun hut of huis. De Sutiava spreken Spaans. Hun eigen taal is aan het verdwijnen. De traditionele Mayareligie is gemengd geraakt met het Spaanse katholicisme. In Las Peñitas staat een kerk, maar men gelooft in de zonnegod Quetzalcoatl. De kerk in Las Peñitas heeft daarom een gat in het plafond, waardoor de zon aanbeden kan worden. In de Sutiava kerk in León hangt een beeld van de zon aan het plafond.

    Naast zo’n vierduizend Sutiava wonen er in Las Peñitas ook Nicaraguanen. Volgens de Sutiava zijn dit immigrantes. Zij zijn Nicaraguanen die naar Sutiavagrondgebied zijn geëmigreerd. Ook vind je in Las Peñitas Noord-Amerikanen en Europeanen. Zij houden zich bezig met het runnen van hotels en restaurants, of verblijven hier kort- of langdurig voor hun plezier. Dit zijn de extranjeros, oftewel buitenlanders.

    Omdat het Sutiavagrondgebied nog altijd wordt erkend door Spanje, maar niet door de Nicaraguaanse regering, zorgt dit voor lokaal conflict. Iedereen die een huis of een stuk grond koopt in Las Peñitas, moet volgens de Nicaraguaanse wet de regering betalen. Maar de Sutiava – en Spanje – vinden dat de indianen recht hebben op dit geld. Veel extranjeros betalen daarom de regering én de indianen om de vrede te bewaren. De meeste immigrantes, Nicaraguanen, hebben hier geen geld voor en/of willen dit niet. Zij betalen alleen de regering.

    Het strand is een heilige plaats voor de Sutiava. Vandaag de dag wordt het strand gesierd of ontsierd door tientallen hotels en restaurants van extranjeros. Ook de Sutiava zien dat er geld zit in toerisme en proberen hier hun voordeel mee te doen. Maar hun hotels en restaurants worden terug geduwd in de richting van het dorp. De Sutiava kunnen de goede toeristische locaties simpelweg niet betalen. “They’re stealing our land”, wordt er achter de schermen wel eens tegen mij gezegd over de extranjeros.

    Het verschilt aan mogelijkheden in het toerisme ligt niet alleen aan geld. Geld, dat in de eerste plaats nodig is om te kunnen investeren. De hotels en restaurants van de Sutiava zien er ook anders uit dan die van de extranjeros. In Las Peñitas is letterlijk elk hotel doordrongen van strandzand. Zelfs het meest ‘luxe’ restaurant bestaat uit plastic tafeltjes en stoeltjes. Toch bestaat er nog een groot verschil tussen de twee type eigenaars, wanneer het aankomt op hygiëne en comfort.

    De meeste internationale toeristen, die in overvloed westers zijn, zijn gewend aan en zoeken een bepaalde standaard van hygiene en comfort. In een Sutiava restaurant worden groenten gewassen met kraanwater, in een extranjero restaurant met flessenwater. Het gevolg is dat veel buitenlandse toeristen ziek worden na het eten in de lokale restaurants. “Ik wil wel goed koken voor westerlingen, maar ik weet gewoon niet hoe”, vertelt een Sutiava hoteleigenaresse met wanhoop in haar ogen.

    Neem bijvoorbeeld het restaurant van de lokale Carmen. Carmens hut is open aan de voorkant en de zijkanten bestaan uit muren van vuilniszakken. Wanneer ik lang haar hut liep, was zij altijd druk bezig was met afwassen of koken. Na twee weken in Las Peñitas constateerde ik dat Carmen wel heel veel aan het koken was voor de grootte van haar gezin. Ik vroeg of dit misschien een restaurant was. “Jazeker”, zei Carmen enthousiast. De meeste internationale toeristen zijn slechts enkele dagen in Las Peñitas en zullen haar restaurant niet snel herkennen. Zij zijn gewend aan bordjes die hen vertellen dat een plek een restaurant is. Ik beloofde diezelfde avond te komen eten.

    ‘s Avonds in het restaurant van Carmen bestelde ik een salade. Ik begon mijn salade in stilte te eten aan een grote plastic tafel, omringd door zo’n vijftien Sutiava bezoekers, voor een grote televisiekast die aanstond. Halverwege mijn maaltijd kwamen er een man en een vrouw de hut binnen. Zij kwamen van buiten Las Peñitas en begonnen een verhaal te vertellen. Ik stopte, net als de andere aanwezigen, met eten om naar hun verhaal te luisteren. Het was een verhaal over echtelijk geweld totdat het echtpaar Jezus had gevonden. Nu leefden zij in vrede samen en reisden rond om het woord van Jezus te verspreiden.

    Na dit verhaal van 45 minuten begon de vrouw van het echtpaar de andere vrouwen in de hut te zegenen. Dit leek mij het moment om verder te eten. Ik at snel mijn salade op en liep naar Carmen om haar te betalen, licht teleurgesteld dat ik als extranjera zo moeilijk kan mengen met de lokale bevolking. “Nee”, glimlachte Carmen, “jij hebt al betaald.” De vrouw in de hut met muren van vuilniszakken weigerde mijn geld. Mijn respect was genoeg voor haar.

    Tot mijn spijt moet ik bekennen dat ik twee weken erg ziek ben geweest na het eten in Carmens restaurant. Waarschijnlijk van het kraanwater waarmee de salade was gewassen.

    In de maanden erna leerde ik meer over hoe de Sutiava samenleving in elkaar steekt. Dat veel Sutiava een derde van hun inkomsten doneren aan de lokale gemeenschap. Aan gehandicapten, ouderen of aan andere hulp behoevende minderheden. Ik observeerde het gedrag van internationale toeristen, wat vaak neerkwam op het drinken van veel alcohol en het straal voorbij lopen van de Sutiava. Er was nauwelijks oog voor de lokale cultuur. Maar de lokale cultuur liet zichzelf ook niet gemakkelijk zien, had ik had gemerkt. Het is een systeem dat zichzelf zo in stand houdt en een weinig constructieve kant op ontwikkelt. Ondertussen verdwijnt een oude, etnische groep langzaam van het toneel.