Category: Netherlands

  • Coronacrisis toont wie ‘wij’ en ‘de Ander’ zijn. Het belang van internationale samenwerking.

    Coronacrisis toont wie ‘wij’ en ‘de Ander’ zijn. Het belang van internationale samenwerking.

    De dynamiek van cultuur wordt extra zichtbaar in een buitengewone periode, zoals tijdens de coronacrisis. Voor de volksgezondheid (en de betekenis die wij hieraan geven) werden we in korte tijd gedwongen om onze cultuur rigoreus aan te passen. Het proces van cultuurverandering is daarmee in een snelkoker terecht gekomen. Mijn antropologische radartjes zien op elke hoek van de straat nieuwe vormen van betekenisgeving. Sommige zijn tijdelijk, maar er zullen ook langdurige cultuurveranderingen volgen in Nederland en wereldwijd.

    Cultuur is de betekenis die mensen geven aan gebruiken, objecten en aan elkaar. Het is wat mensen normaal vinden. Overal ter wereld maken we op deze manier onderscheid tussen wij en de Ander, goed en slecht, rein en onrein. Wat op deze spectra normaal wordt gevonden, verschilt per context en verandert met de tijd. In de antropologie ziet men cultuur daarom als iets dynamisch.

    Soms heeft cultuur veel invloed. Zo waren er ooit volken in Zuid-Amerika die goud zagen als een ruilmiddel en een mooi accessoire, maar ze vonden niet dat alles hierom moest draaien. In diezelfde tijd waren er volken in Europa die in goud het énige, universele ruilmiddel zagen. Het vermeerderen van kapitaal gaf hen bovendien macht en status; het dreef Europeanen de oceaan over. Een goed voorbeeld van de verschillende betekenis die aan objecten en gebruiken werd gegeven. Ht is duidelijk wie als wij en wie als de Ander werd gezien door de Europeanen.

    Tegenwoordig definiëren Europeanen goed en slecht anders dan tijdens de plundering van Zuid-Amerika. Relatief recent is bijvoorbeeld het idee ontstaan dat alle mensen met bepaalde rechten worden geboren. Mensenrechten noemen we dit. Deze manier van kijken heeft wereldwijd transformationele gevolgen gehad. Steeds meer mensen maken (onder andere) op basis van het wel of niet respecteren van mensenrechten een onderscheid tussen goed en slecht, wij en de Ander.

    Cultuur zit in ogenschijnlijk kleine dingen. Enkele maanden geleden was het normaal om iemand de hand te schudden. Gewoon, als groet of bedankje. Dit is een cultureel gebruik. Denk maar aan de scène van de Disneyfilm Pocahontas, waarin John Smith zijn hand uitsteekt en Pocahontas ernaar kijkt en zegt: “er gebeurt niets”. Het gebaar betekende niets voor haar. Met onze nieuwe definities van rein en onrein mag het traditionele handenschudden niet meer. Alleen mensen uit het eigen huishouden zijn rein en hen mogen we aanraken. Iedereen die niet in hetzelfde huis woont is onrein en mogelijk gevaarlijk voor het overdragen van een potentieel dodelijk virus. Deze personen moeten op anderhalve meter afstand van elkaar blijven.

    Internationale samenwerking tegen armoede wordt door veel mensen beschouwd als goed. Rijkere landen voelen zich deels verantwoordelijk om armere landen economisch en sociaal te helpen. Toch laat de pandemie op het eerste gezicht een hernieuwde focus zien op het nationale. Er wordt primair gefocust op noodmaatregelen om het eigen gezondheidsstelsel en de nationale economie staande te houden. Het geeft aan waar de grens ligt tussen wij en de Ander. Waar we staan wanneer het aankomt op een globale samenleving. Onze politieke en gezondheidssystemen zijn nog bijna volledig nationaal ingericht.

    Dit is anders wanneer je kijkt naar economie en handel. Meer dan ooit is zichtbaar hoe landen economisch met elkaar verbonden zijn geraakt. Nu productie en consumptie in veel landen grotendeels stil liggen, hebben lokale economieën last van wat er elders in de wereld gebeurt. Afrikaanse verkopers die geen producten meer uit China kunnen krijgen en hun inkomen verliezen. Nederlandse ziekenhuizen die een tekort hebben aan beschermingsmateriaal, zoals mondkapjes, omdat ook andere getroffen landen in de rij staan bij Chinese producenten. Ik hoor veel China. Dat wisten we natuurlijk al, maar de realiteit van onze handelsrelaties komt nu hard binnen. Globalisering wordt kritisch onder de loep genomen.

    Zijn de groepen wij en de Ander anders verdeeld in het gezondheids- en het economisch stelsel? In de praktijk wel. In ons gevoel niet. We willen onze eigen gezondheid én onze lokale economie redden. Daarom is de discussie omtrent globalisering opgelaaid. We zijn niet volledig zelfredzaam in het huidige economisch systeem, waardoor wij niet altijd voor de Ander kunnen gaan.

    In de laatste jaren zagen we de discussie al toenemen over het ethische van verre reizen met het oog op CO2-uitstoot. Deze discussie lijkt met het uitbreken van de pandemie extra brandstof te hebben gekregen. Steeds meer nadelen van globalisering worden zichtbaar. Verre reizen worden steeds vaker slecht en onnodig genoemd. Ondertussen zien we in Nederland de trend ontstaan om lokale ondernemers te ondersteunen tijdens deze crisis. Mensen die elkaar als wij zien, helpen elkaar in tijden van nood.

    En daar staan we dan, op de route naar steeds meer het lokale rein en goed verklaren. Onze angst voor de medemens en de rest van de wereld is plots toegenomen. We moeten voorzichtig zijn in onze conclusies en verdere aanpak. Voorzichtig met welke betekenis we geven, en gaan geven, aan elkaar.

    Wanneer je terug denkt aan het eerste voorbeeld, waarbij de Zuid-Amerikaanse volken grotendeels verdwenen na de aankomst van de Europeanen, dan valt er een gelijkenis met het heden te trekken. Eén van de grootste doodsoorzaken van de inheemse bevolking was namelijk het aantal nieuwe ziektes dat de Europeanen met zich meebracht. Hiertegen had de lokale bevolking nog geen inviduele of groepsimmuniteit opgebouwd. Er gingen epidemieën rond. Klinkt bekend? Het kwam de Europeanen toen eigenlijk wel goed uit als de Ander er niet meer zo veel was.

    Dat we elkaar nu, na het redelijk onder controle brengen van onze nationale situaties, ook internationaal tegemoetkomen in het bestrijden van het nieuwe coronavirus, is ook te danken aan globalisering. Landen waaronder Frankrijk en Nederland stuurden initieel medisch materiaal naar China, toen daar het coronavirus als eerste uitbrak. Er wordt wereldwijd gecommuniceerd over het bestaan en rondgaan van het virus. We vinden de uit de hand gelopen situatie in Italië vreselijk en volgen dit in het nieuws. Wanneer Europese landen voorbij de piek van de pandemie-uitbraak zijn, zullen er wellicht hulpmiddelen en artsen naar Afrika gaan. Sommige Nederlandse artsen die tijdelijk waren gestationeerd in Afrika, zijn daar vrijwillig gebleven om te helpen.

    Contact met andere culturen heeft de grens tussen wij en de Ander sterk vervaagd. We zijn onder voorwaarden bereid tot samenwerken en helpen. De coronacrisis is zeker een eye-opener wanneer het aankomt op het verspreiden van ziektes. En onze internationale afhankelijkheid voor cruciale producten. Voor het milieu is het een duurzaam besef dat een mens ook best overleeft met minder reizen.

    Deze lessen kunnen we meenemen naar de toekomst. Om zorgstelsels, internationale handelsrelaties en onze ecologische voetafdruk slimmer in te richten. Het is echter ook belangrijk dat internationale samenwerking bewaard blijft. Als we volledig zouden stoppen met het maken van verre reizen en alleen lokale productie zouden consumeren, dan gaan we straks misschien weer denken in termen als ‘wilden’ in China en ‘criminelen’ in Australië. En dan wordt de mens opeens een stuk minder behulpzaam.

  • De wens naar meer door vergelijking. Waar ligt de grens?

    De wens naar meer door vergelijking. Waar ligt de grens?

    Na mijn masteronderzoek in Nicaragua merk ik dat ik haar mensen moeilijk kon loslaten. Dat de wereld oneerlijk is verdeeld, dat wist ik al. Maar om het te zien en voelen, gaat mij niet in de koude kleren zitten. Wat kan en moet ik met deze oneerlijke status quo?

    Van velen in Nicaragua is het salaris zo laag dat zij niet of nauwelijks geld overhouden. Terwijl zij zeven dagen per week werken. Sommige mensen worden ziek, omdat ze geen schoon drinkwater kunnen betalen. Tijd of geld besteden aan investeringen is voor een groot deel van de bevolking niet haalbaar. Hoe creëer je dan een gat naar buiten?

    Globalisering stuurt mensen en media over de hele wereld. Nicaraguanen zagen mij maandenlang niet werken, maar wel geld betalen voor luxe producten en uitstapjes. Waarom kan ik dat wel en zij niet? Ik heb geen buitengewone talenten. Ik ben op een plek geboren waar veel meer geld is. Einde verhaal. Via toerisme en media worden veel mensen dagelijks gewezen op hun nadelige financiële positie in de wereld.

    Financieel minder te besteden hebben op zich hoeft geen probleem te zijn. De consumptiemaatschappij is genadeloos. Dominerende westerse televisie maakt westers uiterlijk populair. Digitale media verspreiden reclame voor luxeproducten. Ik zag gadgets als een tablet worden nagestreefd door mensen die wonen in een huis bestaande uit vuilniszakken tussen houten palen. Geld wordt bij elkaar gesprokkeld, maar welke doelen worden hiermee bereikt? Onder armere mensen ontstaat de wens naar meer, maar niet altijd de mogelijkheid. Er ontstaat behoefte aan onmogelijke verandering. Naar vooruitgang. De psychosociale effecten daarvan zijn enorm. En dan wandel ik steeds voorbij met mijn dure camera, blonde haren en ogenschijnlijk bodemloze portemonnee. Ik help bij het in stand houden van een imago.

    And you think you’re so clever and classless and free

    Ironisch genoeg voel ik in Nederland weinig van mijn bevoorrechte economische positie in de wereld. Ik voel sociale druk. Wanneer ik na het behalen van een universitair diploma een ongeschoold beroep zou uitvoeren, dan presteer ik volgens velen onder mijn niveau. De banen met de gewenste socio-economische status liggen echter niet voor het oprapen. Hoewel het volgen van een opleiding een enorm privilege is, brengt het niet kunnen voldoen aan de bijkomende maatschappelijke verwachtingen een een enorme druk met zich mee. Bovendien liggen de kosten van levensonderhoud in Nederland zó veel hoger dan in Nicaragua, dat bepaalde arbeids- of persoonlijke omstandigheden in Nederland ook serieuze financiële spanning veroorzaken. Met weer die psychosociale gevolgen. Soms zijn de financiële vangnetten van de Nederlandse overheid niet genoeg om de beloofde ‘verzorgingsstaat’ te zijn.

    When they’ve tortured and scared you for twenty odd years
    Then they expect you to pick a career
    When you can’t really function you’re so full of fear

    In Nicaragua bevond ik me aan de maatschappelijke top van succes, zonder dat ik er iets voor deed. Hoewel ik sinds ik terug ben in Nederland meer geld heb dan toen, voel ik mij steeds armer worden. In Nederland werk ik hard en sta ik laag op de maatschappelijke ladder. Ook in het rijke deel van de wereld heeft men de wens om hogerop te komen. Veel Nederlanders willen meer salaris, een groter huis of een vakantie naar een ver oord. Vergelijking met onze vrienden, kennissen en collega’s vergroot de wens naar meer en beter. Evenals de prachtige situaties die op sociale media voorbij komen. Dit is allemaal logisch, want onze buren en sociale media zien we dagelijks en de arme Nicaraguaan niet. Deze Nicaraguaan behoort in onze ogen wellicht niet, of niet constant, tot de groep waarmee wij ons vergelijken.

    Het is menselijk om ons te meten aan onze directe sociale omgeving. Zo begrijpen we onze positie in de groep en weten we wat we moeten doen om onze positie te verbeteren of ten minste te behouden. We willen beschikken over voldoende middelen om te zorgen voor onszelf en voor onze kinderen. Dit is belangrijk om de overlevingskans van onze genen te vergroten. Maar als de socio-economische top steeds wordt verplaatst doordat iedereen constant streeft naar beter, wanneer mogen we dan tevreden zijn met wat we hebben?

    De top die wij als mensen willen bereiken is relatief en dynamisch. Deze zit in ons hoofd en verandert met onze directe omgeving. Hierdoor zit de hele wereld met eenzelfde probleem: de wens naar meer door vergelijking. Maar het doel is zoek in dit streven. Want waar ligt het eindpunt van onze vooruitgang? Heeft onze ‘vooruitgang’ wel een eindpunt? En hoe weten we dan of we überhaupt vooruit gaan?

    Wanneer mensen in een toenemend globale markt winst en bezit nastreven, en kapitaal zich vermeerdert door middel van investeringen, dan komt de winst terecht bij mensen die al rijk zijn. Economische ongelijkheid in de wereld zal toenemen.

    Gelukkig is de menselijke definitie van vooruitgang óók dynamisch. In plaats van ‘Waar is de top?’ zou de mens zich kunnen afvragen: ‘Waar ligt de grens?’

    There’s room at the top, they’re telling you still
    But first you must learn how to smile as you kill
    If you want to be like all the folks on the hill

  • Lost in Science

    Lost in Science

    Ik mag een masteronderzoek gaan uitvoeren. Maar waarnaar? Wat wil de wereld weten?

    De mogelijkheden variëren van een onderzoeksstage bij een grote multinational tot het bestuderen van lokale betekenisgeving aan vogelsoorten door een stam in de Amazone. Alles heeft zijn charme en zijn eigenaardigheden. Daarbij is alles uit zijn context te trekken en te bestuderen. Maar: in deze wereld moet je je mentaal beperken tot één onderwerp om ergens te komen.

    Tijdens mijn studie heb ik geleerd om kritisch te zijn. Kritisch op wetenschappelijke theorieën, kritisch op de maatschappij, kritisch op menselijke uitspraken en handelingen. Kritisch vooral ook op mijn eigen interpretatie van dit alles. Ik trek inmiddels onze hele planeet in twijfel en weet niet meer zeker of ik zelf besta. Verschillende filosofen denken hierop het antwoord te weten, maar wie spreekt er de waarheid? En is er wel één waarheid?

    Dit soort vragen heb ik inmiddels ver achter me gelaten. Liever neem ik mezelf en al het andere niet al te serieus. Ben ik nu een wetenschapper? Of juist niet? Is er soms iets misgegaan?

    Grappig genoeg zal deze desoriënterende intellectuele bagage me de titel Master of Science bezorgen. Master. Ik had zelf meer gedacht aan een titel als Lost in Science.

  • Amsterdamse Winkelmedewerkster overleeft December

    Amsterdamse Winkelmedewerkster overleeft December

    Ik werk nu in een winkel om mijn afgestudeerd-en-er-zijn-geen-banen-crisis te overbruggen. Het is een cadeauwinkel in het centrum van Amsterdam. In de aanloop naar de feestdagen brengt een cadeauwinkel verlichting voor menig Amsterdammer. Tienduizenden sinterklaas- en kerstcadeautjes vliegen over de toonbank. Ik probeer mij met binnenpretjes staande te houden naast de mens in een van haar meest asociale rollen: consument.

    De transformatie van sociaal wezen naar consument gebeurt direct bij binnenkomst. Medewerkers achter de kassa worden niet gegroet. Langzaam loopt de consument langs de schappen en de wanden. Onze lokkende opstelling van producten werkt feilloos. Mandjes worden volgeladen met producten die de consument nodig denkt te hebben. Dit terwijl hij of zij vijf minuten geleden nog niet van het bestaan van deze producten afwist. Is dit waar het geldoverschot van de werkende mens heen gaat? Ondertussen vullen mijn collega’s en ik de lege gaten aan met nieuwe ladingen. Het gaat hier om duizenden aanvullingen per dag.

    Soms stoten mensen tegen iets aan. Een glazen of stenen product valt op de grond in honderden stukken. Verbaasd staat de consument er dan naar te kijken, alsof de rotzooi op de grond uit zichzelf zal verdwijnen. “Is dat erg? Moet ik ervoor betalen?” vraagt de consument. “Nee hoor, dat kan gebeuren”, zeg ik. Ik neem aan dat u thuis regelmatig vazen en glazen van tafel stoot. 

    Een man aan de kassa gooit spullen voor me neer. “And that bag with the clown over there, because today I am smiling.” Maar hij lacht niet. Ik pak de clownstas voor hem. “Are you in a bad mood today?” vraag ik beleefd. “Yes”, antwoordt hij, “because that man before me was very rude.” Dat had ik ook gemerkt. “I think he was drunk”, zeg ik. Zo rook het in elk geval. Ik geef de man zijn gevulde tas. “At least you’ve got your clown’s bag now.” De man moet lachen en roept naar zijn vriendin in de andere rij: “The people who work here are having fun.”

    De kassa is de plek van onvermijdelijke confrontatie tussen consument en medewerker. De producten worden afgerekend voor een bedrag van meestal tientallen euro’s. Beleefd vragen wij: “Wilt u er voor 20 cent ook een tasje bij?” De gevraagde twintig cent zorgt bijna altijd voor spanning. Er is de teleurgestelde, verwijtende reactie: “Ja, hoe moet ik het anders meenemen?” Maar de andere kant op raakt men ook beledigd: “Nee ik hoef geen tasje van twintig cent, ik heb zelf een tas bij me.” Er is bijna geen manier om de kostbare tas zonder conflict aan te bieden.

    Na een reeks van onterechte beledigingen gebruik ik soms een aangepaste volgorde van de vraag. “Wilt u er een tasje bij?” “Ja, graag”, antwoordt de consument dan blij. “Dat is dan twintig cent.” Na het horen van deze prijs, passen de producten volgens de consument misschien wel in de eigen tas. Mensen die een rendierbeeldje van 3 euro kopen, lijken verder dramatisch krap bij kas te zitten. De consument probeert de producten in andere overvolle plastic tasjes te proppen of neemt meerdere losse producten in de armen. Dit om tijdens het weglopen alsnog een tasje af te rekenen. “Ja, natuurlijk mag u alsnog een tasje”, lach ik beleefd.

    Als je met vijftig andere mensen een winkel binnen gaat, kan het zijn dat je even moet wachten bij de kassa. Wanneer ik een extra kassa beman om de rij te verkorten, vraag ik: “Wie is de eerstvolgende?” “IK!” klinkt het vanaf meerdere kanten. Mijn hemel. Hoe veel uur staan jullie hier al? “Kan ik u helpen?” vraag ik aan de dichtstbijzijnde mevrouw. Dit leidt tot luid protest van links en rechts. “Ik was eerst”, klinkt het van twee kanten.

    “U mag wel eerst iemand anders helpen hoor, ik kan wel even wachten”, zegt de mevrouw die ik wilde helpen. Yes, er bestaan nog sociale mensen. “Dank u”, antwoord ik. En dan luid genoeg zodat de hele rij het kan horen: “Ik help wel eerst de boze mensen, dat is beter voor de sfeer.” Ik richt me tot de rij: “Wie is er het boost? Die mag als eerst afrekenen.” Iedereen is plotseling stil. Men lijkt zich te realiseren zichzelf verloren te zijn in de koopziekte. De mevrouw die net het hardst “ik” riep, stapt naar voren en geeft mij voorzichtig een kerstbal. “Maar ik ben niet boos, hoor”, voegt ze er zachtjes aan toe. Tja, ik nu wel.

    De winkel is een ravage na een drukke dag. Ik heb een vernieuwd perspectief op de feestdagen. Er lijkt een maand van oorlog vooraf te gaan aan twee dagen vrede.

  • Morning Epiphany

    Morning Epiphany

    Lights of thousands of cars sparkle underneath a pitch black sky, like a flowing river of red and yellow. My eyes follow the river into distance. The effect is hypnotizing. It makes me forget the purpose of my own journey.

    As if pulled by an invisible force, every set of lights floats towards one of the surrounding office buildings. It’s a completely normal, yet unsettling scene.

    For a moment I perceive the power of the office buildings as strangely intimidating.