Category: globalization

  • Coronacrisis toont wie ‘wij’ en ‘de Ander’ zijn. Het belang van internationale samenwerking.

    Coronacrisis toont wie ‘wij’ en ‘de Ander’ zijn. Het belang van internationale samenwerking.

    De dynamiek van cultuur wordt extra zichtbaar in een buitengewone periode, zoals tijdens de coronacrisis. Voor de volksgezondheid (en de betekenis die wij hieraan geven) werden we in korte tijd gedwongen om onze cultuur rigoreus aan te passen. Het proces van cultuurverandering is daarmee in een snelkoker terecht gekomen. Mijn antropologische radartjes zien op elke hoek van de straat nieuwe vormen van betekenisgeving. Sommige zijn tijdelijk, maar er zullen ook langdurige cultuurveranderingen volgen in Nederland en wereldwijd.

    Cultuur is de betekenis die mensen geven aan gebruiken, objecten en aan elkaar. Het is wat mensen normaal vinden. Overal ter wereld maken we op deze manier onderscheid tussen wij en de Ander, goed en slecht, rein en onrein. Wat op deze spectra normaal wordt gevonden, verschilt per context en verandert met de tijd. In de antropologie ziet men cultuur daarom als iets dynamisch.

    Soms heeft cultuur veel invloed. Zo waren er ooit volken in Zuid-Amerika die goud zagen als een ruilmiddel en een mooi accessoire, maar ze vonden niet dat alles hierom moest draaien. In diezelfde tijd waren er volken in Europa die in goud het énige, universele ruilmiddel zagen. Het vermeerderen van kapitaal gaf hen bovendien macht en status; het dreef Europeanen de oceaan over. Een goed voorbeeld van de verschillende betekenis die aan objecten en gebruiken werd gegeven. Ht is duidelijk wie als wij en wie als de Ander werd gezien door de Europeanen.

    Tegenwoordig definiëren Europeanen goed en slecht anders dan tijdens de plundering van Zuid-Amerika. Relatief recent is bijvoorbeeld het idee ontstaan dat alle mensen met bepaalde rechten worden geboren. Mensenrechten noemen we dit. Deze manier van kijken heeft wereldwijd transformationele gevolgen gehad. Steeds meer mensen maken (onder andere) op basis van het wel of niet respecteren van mensenrechten een onderscheid tussen goed en slecht, wij en de Ander.

    Cultuur zit in ogenschijnlijk kleine dingen. Enkele maanden geleden was het normaal om iemand de hand te schudden. Gewoon, als groet of bedankje. Dit is een cultureel gebruik. Denk maar aan de scène van de Disneyfilm Pocahontas, waarin John Smith zijn hand uitsteekt en Pocahontas ernaar kijkt en zegt: “er gebeurt niets”. Het gebaar betekende niets voor haar. Met onze nieuwe definities van rein en onrein mag het traditionele handenschudden niet meer. Alleen mensen uit het eigen huishouden zijn rein en hen mogen we aanraken. Iedereen die niet in hetzelfde huis woont is onrein en mogelijk gevaarlijk voor het overdragen van een potentieel dodelijk virus. Deze personen moeten op anderhalve meter afstand van elkaar blijven.

    Internationale samenwerking tegen armoede wordt door veel mensen beschouwd als goed. Rijkere landen voelen zich deels verantwoordelijk om armere landen economisch en sociaal te helpen. Toch laat de pandemie op het eerste gezicht een hernieuwde focus zien op het nationale. Er wordt primair gefocust op noodmaatregelen om het eigen gezondheidsstelsel en de nationale economie staande te houden. Het geeft aan waar de grens ligt tussen wij en de Ander. Waar we staan wanneer het aankomt op een globale samenleving. Onze politieke en gezondheidssystemen zijn nog bijna volledig nationaal ingericht.

    Dit is anders wanneer je kijkt naar economie en handel. Meer dan ooit is zichtbaar hoe landen economisch met elkaar verbonden zijn geraakt. Nu productie en consumptie in veel landen grotendeels stil liggen, hebben lokale economieën last van wat er elders in de wereld gebeurt. Afrikaanse verkopers die geen producten meer uit China kunnen krijgen en hun inkomen verliezen. Nederlandse ziekenhuizen die een tekort hebben aan beschermingsmateriaal, zoals mondkapjes, omdat ook andere getroffen landen in de rij staan bij Chinese producenten. Ik hoor veel China. Dat wisten we natuurlijk al, maar de realiteit van onze handelsrelaties komt nu hard binnen. Globalisering wordt kritisch onder de loep genomen.

    Zijn de groepen wij en de Ander anders verdeeld in het gezondheids- en het economisch stelsel? In de praktijk wel. In ons gevoel niet. We willen onze eigen gezondheid én onze lokale economie redden. Daarom is de discussie omtrent globalisering opgelaaid. We zijn niet volledig zelfredzaam in het huidige economisch systeem, waardoor wij niet altijd voor de Ander kunnen gaan.

    In de laatste jaren zagen we de discussie al toenemen over het ethische van verre reizen met het oog op CO2-uitstoot. Deze discussie lijkt met het uitbreken van de pandemie extra brandstof te hebben gekregen. Steeds meer nadelen van globalisering worden zichtbaar. Verre reizen worden steeds vaker slecht en onnodig genoemd. Ondertussen zien we in Nederland de trend ontstaan om lokale ondernemers te ondersteunen tijdens deze crisis. Mensen die elkaar als wij zien, helpen elkaar in tijden van nood.

    En daar staan we dan, op de route naar steeds meer het lokale rein en goed verklaren. Onze angst voor de medemens en de rest van de wereld is plots toegenomen. We moeten voorzichtig zijn in onze conclusies en verdere aanpak. Voorzichtig met welke betekenis we geven, en gaan geven, aan elkaar.

    Wanneer je terug denkt aan het eerste voorbeeld, waarbij de Zuid-Amerikaanse volken grotendeels verdwenen na de aankomst van de Europeanen, dan valt er een gelijkenis met het heden te trekken. Eén van de grootste doodsoorzaken van de inheemse bevolking was namelijk het aantal nieuwe ziektes dat de Europeanen met zich meebracht. Hiertegen had de lokale bevolking nog geen inviduele of groepsimmuniteit opgebouwd. Er gingen epidemieën rond. Klinkt bekend? Het kwam de Europeanen toen eigenlijk wel goed uit als de Ander er niet meer zo veel was.

    Dat we elkaar nu, na het redelijk onder controle brengen van onze nationale situaties, ook internationaal tegemoetkomen in het bestrijden van het nieuwe coronavirus, is ook te danken aan globalisering. Landen waaronder Frankrijk en Nederland stuurden initieel medisch materiaal naar China, toen daar het coronavirus als eerste uitbrak. Er wordt wereldwijd gecommuniceerd over het bestaan en rondgaan van het virus. We vinden de uit de hand gelopen situatie in Italië vreselijk en volgen dit in het nieuws. Wanneer Europese landen voorbij de piek van de pandemie-uitbraak zijn, zullen er wellicht hulpmiddelen en artsen naar Afrika gaan. Sommige Nederlandse artsen die tijdelijk waren gestationeerd in Afrika, zijn daar vrijwillig gebleven om te helpen.

    Contact met andere culturen heeft de grens tussen wij en de Ander sterk vervaagd. We zijn onder voorwaarden bereid tot samenwerken en helpen. De coronacrisis is zeker een eye-opener wanneer het aankomt op het verspreiden van ziektes. En onze internationale afhankelijkheid voor cruciale producten. Voor het milieu is het een duurzaam besef dat een mens ook best overleeft met minder reizen.

    Deze lessen kunnen we meenemen naar de toekomst. Om zorgstelsels, internationale handelsrelaties en onze ecologische voetafdruk slimmer in te richten. Het is echter ook belangrijk dat internationale samenwerking bewaard blijft. Als we volledig zouden stoppen met het maken van verre reizen en alleen lokale productie zouden consumeren, dan gaan we straks misschien weer denken in termen als ‘wilden’ in China en ‘criminelen’ in Australië. En dan wordt de mens opeens een stuk minder behulpzaam.

  • De wens naar meer door vergelijking. Waar ligt de grens?

    De wens naar meer door vergelijking. Waar ligt de grens?

    Na mijn masteronderzoek in Nicaragua merk ik dat ik haar mensen moeilijk kon loslaten. Dat de wereld oneerlijk is verdeeld, dat wist ik al. Maar om het te zien en voelen, gaat mij niet in de koude kleren zitten. Wat kan en moet ik met deze oneerlijke status quo?

    Van velen in Nicaragua is het salaris zo laag dat zij niet of nauwelijks geld overhouden. Terwijl zij zeven dagen per week werken. Sommige mensen worden ziek, omdat ze geen schoon drinkwater kunnen betalen. Tijd of geld besteden aan investeringen is voor een groot deel van de bevolking niet haalbaar. Hoe creëer je dan een gat naar buiten?

    Globalisering stuurt mensen en media over de hele wereld. Nicaraguanen zagen mij maandenlang niet werken, maar wel geld betalen voor luxe producten en uitstapjes. Waarom kan ik dat wel en zij niet? Ik heb geen buitengewone talenten. Ik ben op een plek geboren waar veel meer geld is. Einde verhaal. Via toerisme en media worden veel mensen dagelijks gewezen op hun nadelige financiële positie in de wereld.

    Financieel minder te besteden hebben op zich hoeft geen probleem te zijn. De consumptiemaatschappij is genadeloos. Dominerende westerse televisie maakt westers uiterlijk populair. Digitale media verspreiden reclame voor luxeproducten. Ik zag gadgets als een tablet worden nagestreefd door mensen die wonen in een huis bestaande uit vuilniszakken tussen houten palen. Geld wordt bij elkaar gesprokkeld, maar welke doelen worden hiermee bereikt? Onder armere mensen ontstaat de wens naar meer, maar niet altijd de mogelijkheid. Er ontstaat behoefte aan onmogelijke verandering. Naar vooruitgang. De psychosociale effecten daarvan zijn enorm. En dan wandel ik steeds voorbij met mijn dure camera, blonde haren en ogenschijnlijk bodemloze portemonnee. Ik help bij het in stand houden van een imago.

    And you think you’re so clever and classless and free

    Ironisch genoeg voel ik in Nederland weinig van mijn bevoorrechte economische positie in de wereld. Ik voel sociale druk. Wanneer ik na het behalen van een universitair diploma een ongeschoold beroep zou uitvoeren, dan presteer ik volgens velen onder mijn niveau. De banen met de gewenste socio-economische status liggen echter niet voor het oprapen. Hoewel het volgen van een opleiding een enorm privilege is, brengt het niet kunnen voldoen aan de bijkomende maatschappelijke verwachtingen een een enorme druk met zich mee. Bovendien liggen de kosten van levensonderhoud in Nederland zó veel hoger dan in Nicaragua, dat bepaalde arbeids- of persoonlijke omstandigheden in Nederland ook serieuze financiële spanning veroorzaken. Met weer die psychosociale gevolgen. Soms zijn de financiële vangnetten van de Nederlandse overheid niet genoeg om de beloofde ‘verzorgingsstaat’ te zijn.

    When they’ve tortured and scared you for twenty odd years
    Then they expect you to pick a career
    When you can’t really function you’re so full of fear

    In Nicaragua bevond ik me aan de maatschappelijke top van succes, zonder dat ik er iets voor deed. Hoewel ik sinds ik terug ben in Nederland meer geld heb dan toen, voel ik mij steeds armer worden. In Nederland werk ik hard en sta ik laag op de maatschappelijke ladder. Ook in het rijke deel van de wereld heeft men de wens om hogerop te komen. Veel Nederlanders willen meer salaris, een groter huis of een vakantie naar een ver oord. Vergelijking met onze vrienden, kennissen en collega’s vergroot de wens naar meer en beter. Evenals de prachtige situaties die op sociale media voorbij komen. Dit is allemaal logisch, want onze buren en sociale media zien we dagelijks en de arme Nicaraguaan niet. Deze Nicaraguaan behoort in onze ogen wellicht niet, of niet constant, tot de groep waarmee wij ons vergelijken.

    Het is menselijk om ons te meten aan onze directe sociale omgeving. Zo begrijpen we onze positie in de groep en weten we wat we moeten doen om onze positie te verbeteren of ten minste te behouden. We willen beschikken over voldoende middelen om te zorgen voor onszelf en voor onze kinderen. Dit is belangrijk om de overlevingskans van onze genen te vergroten. Maar als de socio-economische top steeds wordt verplaatst doordat iedereen constant streeft naar beter, wanneer mogen we dan tevreden zijn met wat we hebben?

    De top die wij als mensen willen bereiken is relatief en dynamisch. Deze zit in ons hoofd en verandert met onze directe omgeving. Hierdoor zit de hele wereld met eenzelfde probleem: de wens naar meer door vergelijking. Maar het doel is zoek in dit streven. Want waar ligt het eindpunt van onze vooruitgang? Heeft onze ‘vooruitgang’ wel een eindpunt? En hoe weten we dan of we überhaupt vooruit gaan?

    Wanneer mensen in een toenemend globale markt winst en bezit nastreven, en kapitaal zich vermeerdert door middel van investeringen, dan komt de winst terecht bij mensen die al rijk zijn. Economische ongelijkheid in de wereld zal toenemen.

    Gelukkig is de menselijke definitie van vooruitgang óók dynamisch. In plaats van ‘Waar is de top?’ zou de mens zich kunnen afvragen: ‘Waar ligt de grens?’

    There’s room at the top, they’re telling you still
    But first you must learn how to smile as you kill
    If you want to be like all the folks on the hill

  • Status quo in the Himalayas during a treacherous trek

    Status quo in the Himalayas during a treacherous trek

    Dhanbader brought a small daypack containing all that he would need on our nine day trek. He was my guide to Annapurna Base Camp at 4.130 meters altitude in the Himalayas. Dhan came prepared to carry my backpack, but I had been sure to pack no more than I could carry myself. Amused he allowed me to carry my own luggage, himself now traveling light as a feather.

    The Nepalese Dhan had lost sight in his left eye on a treacherous snow trek 22 years ago, during which he had saved a female tourist’s life. He had survived many a bigger adventure than me. Together we embarked on a trek that would teach me about absolute natural beauty as well as danger – and about the socioeconomic status quo in the Himalayas

    At the start of our trek we were enveloped by green valleys and small towns with vegetable farms. People in traditional and colourful Nepalese clothing and woolen beanies glanced at us without much interest. Local school children surpassed us swiftly up or down the hills. Every now and again we stepped aside to allow for a row of donkeys or horses to pass us on the narrow path.

    Dhan hiked as if he was having a rather casual stroll, while I was struggling to find my pace. In a rhododendron forest, with pink and red flowered trees, Dhan showed me how to drink nectar from the flowers. “Local medicine”, he explained, “very good for throat”.

    After two days of hiking we reached Poon Hill, a village on a similarly named mountain. With its 3.200 meters altitude Poon Hill can indeed be considered a hill next to the Himalayas, of which mountains can reach up to 8.000 meters. Before sunrise the next day we hiked to the top of Poon Hill. The view was already worth the whole trek. To the Nepalese a beautiful place is a sacred place. Colourful Buddhist prayer flags played in the wind at the top of Poon Hill.

    Photo by Robert Stokoe on Pexels.com

    Straight ahead in the distance lay the Annapurna mountain range. In the middle towered the two tops of Machhapuchchhre Himal; a 7.000 meter high mountain with the nickname of Fishtail. Those who climb it are said to never return. Behind Fishtail’s left side lay Annapurna III: the mountain we were to partially climb to reach Annapurna Base Camp, our destination. 

    Over the next three days we did not gain height. We hiked hundreds of meters up and down every day, but by nightfall we always made it back to a village at around 3.200 meters. Every town we passed seemed to have its own beliefs and superstitions. In one town we were not allowed to eat meat in the next it was forbidden to play music, another town allowed no fires.

    In the evenings foreign trekkers and Nepalese guides shared stories. Laughter was often heard. At night we slept in different dorms. Freezing nights had me tuck away in my sleep sack, dressed in my woolen Nepalese hat, socks, gloves and jacket. On top of me always multiple woolen blankets. Still I felt cold and hardly slept; something I easily shook off admiring the towering mountain range in the mornings. However, I noticed that the guides’ dorms sometimes didn’t offer a single blanket. Every time I mentioned this or suggested to divide the available blankets between us, Dhan avoided the subject. This was uncharacteristic for his talkative nature.

    We reached a centimetre of snow on our fifth day of trekking. Our excitement quickly changed to vigilance when descending trekkers told us that the snow was ‘pretty bad up there’ and that ‘one group has lost three of its members in an avalanche’. We continued hiking through the thin layer of snow until we reached the town of Deurali, of course situated 3.200 meters.

    Time-wise we could make it to Machhapuchchhre Base Camp (MBC) at 3.900 meters in two hours that same day. It would then be another two hours from MBC to Annapurna Base Camp (ABC) at 4130 meters, our destination. But more news of avalanches on exactly these trails reached us. I even got told that this was the worst avalanche region in Nepal – something that definitely had not been printed in my guide book. We decided to spend the night in Deurali.

    The snowfall continued. It started to get very cold. The owner of the guest house place a heater under the table, at which I was seated with a group of Chinese trekkers and their Nepalese guide. It was the guide’s birthday that day and the Chinese spoiled him and us with food as per their national custom.

    ‘We are descending tomorrow’, one of them told me. They had attempted to reach MBC from Deurali this afternoon, but had been forced to return because of the weather. ‘Look, we’ve got it on video.’ A small screen on a digital camera showed a grey cloud blocking the view as it came in from the valley at high speed. Another video showed an avalanche on the other side of the valley, with people screaming in the background. The group had concluded that it was way too dangerous to hike any further. They would descend the next day.

    Five trekkers were missing now. The topic caused a grave silence between us. Today we had learned that the track between Deurali and MBC is the biggest avalanche danger zone of Nepal. Of this I previously had no idea and neither had my guide book. That evening the guide of the Chinese group received a phone call, saying that the people at both Machhapuchchhre and Annapurna Base Camp were snowed in and stuck there.

    Dhanbader’s name is a combination of the words ‘strength’ and ‘rice’. Dhan knows the mountains very well. He did not give up hope yet and said we would see what the path would look like in the morning. Dhan told us that walking in an avalanche danger zone is best done before 8 AM, when the sun hasn’t warmed up the snow enough yet in order for it to melt and fall. I wondered whether we should walk in an avalanche danger zone at all. Nevertheless, the next morning at 6 AM we were ready. But at that time the snowfall had returned and even Dhan had to admit defeat.

    One centimeter of snow had become twenty centimeters overnight. I felt no disappointment. I was lucky. Those five people who were missing, was someone even looking for them? No helicopter could fly in this weather. As for us: we could neither proceed up nor walk down. So we sat around the table again with the Chinese. This time without the heater. There was tension in the room. I sipped a mug of watery hot cocoa as I tried to focus on a book to pass the time.

    Fortunately for us only a few hours later the snowfall decreased. We seized our chance and began a fast descend. Dhan and I were jumping through fresh snow and surpassed people who were walking very carefully. Only once I fell on the slippery path. When this happened, Dhan walked back to me and pointed up at the open areas in between the trees. “Also avalanche danger zone”, he said softly. I was now starting to recognize the danger zones and realized our continuous risk. He wanted to get us out of here as soon as possible.

    I noticed snow on the ground at much lower altitudes than the day before. Many hours passed before the snowfall turned to rain. Taking few breaks, we descended through the rain the rest of the day. We reached the first perceived safe town in the evening: Chomrong. After we checked in to a guest house, we found many more trekkers who had stranded here on their way up or down.

    On the first day in Chomrong many of us huddled up in our sleeping bags in a common room as our wet backpacks and clothes were drying. Dhan estimated it would not be possible to hike up for the next three weeks. On the second day the sky cleared up and three helicopers flew in. We watched them disappear into the deeper mountains. They managed to rescue the people who had been stuck in the base camps. Some people were dropped off in Chomrong, others were taken to hospitals in Pokhara and Kathmandu. We learned that the path on which we had walked down only two days before, had been hit by a few avalanches and was no longer accessible. The five missing people had died. Another person had died of high altitude sickness when she did reach ABC.

    On this second day we decided to pack up our wet belongings and continue our descend. We walked for another eight hours, leaving the sound of the helicopters far behind us. This is when Dhan told me about the difference in rescue operations for tourists and local people. For a tourist a helicopter rescue is always arranged as it is often covered by insurance. But the Nepalese guides, sherpas and inhabitants of the mountain villages had no way of affording a helicopter rescue when being hit by an avalanche or getting stuck because of one. Neighboring towns first had to collect money in order to send a search helicopter, which of courses costs precious time. The risk that the Nepalese took in the Himalayas was of a different level than my own. I had not been quite aware of that.

    Trekking in the Himalayas was one of the most beautiful experiences of my life. Yet I learned how ill prepared we can enter some areas as a tourist and by doing so even endanger others. Sometimes we do not realize how little we know about potential hazards in an area unfamiliar to us.

    This was not the last time that I would learn this lesson in Nepal. Increased tourism makes more places easily accessible, which opens up opportunities as well as risks. For both tourists and local people. It is so important to realize that there are many things about new places that we do not know. And that we cannot know until we experience them or talk to (local) people who have done so.

  • Mogelijk ‘tweede  Panamakanaal’ door Nicaragua

    Mogelijk ‘tweede Panamakanaal’ door Nicaragua

    Piraten bezeilden de Caribische Zee van de zeventiende tot de negentiende eeuw. Volgens bronnen van de Spanjaarden was de San Juan rivier in Nicaragua een van de twee gebieden in Nicaragua waar goud te vinden was. Bovendien was de rivier een handige ingang naar Lake Nicaragua. En zo een afsnijroute naar het midden van Centraal-Amerika.

    Het dorp El Castillo ligt halverwege de San Juan rivier. Door de dichte jungle is het dorp alleen bereikbaar per boot. Maar door haar historie van reizigers zijn er verrassend veel guest houses in El Castillo. Het goud uit de Spaanse legendes is echter nooit gevonden.

    Nabij El Castillo neemt lokale gids Alfredo mij mee in zijn bootje om te gaan zwemmen in een riviertak waar geen krokodillen zou leven. Omwonende boeren hebben de krokodillen afgeschrikt (lees: afgeschoten), omdat de krokodillen hun koeien opaten. Alfredo komt zelf uit Bluefields: de havenstad waar de San Juan rivier het land binnen stroomt vanuit de Caribische Zee. Dat is ook bijzonder aan deze rivier: het brengt zout water van de Caribische Zee het land binnen. Er zwemmen daarom zelfs haaien in Lake Nicaragua.

    In de havenstad Bluefields is steeds minder werk en daarom heeft Alfredo recent in El Castillo een restaurant geopend. Daarnaast is hij begonnen als tour guide. Om deze reden zitten we nu in zijn boot. “Het is wennen, maar de mensen in El Castillo zijn erg aardig”, vertelt Alfredo onderweg naar de riviertak. Toch is hij niet helemaal gerust over zijn toekomst: “Grote veranderingen zijn op komst, veranderingen van een internationaal karakter.”

    De veranderingen die Alfredo bedoelt, komen soms op ons nieuws voorbij. Er is al jaren een plan om een interoceanisch kanaal te bouwen in Nicaragua. Groter dan het Panamakanaal. Er wordt nog onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van zo’n kanaal. Als groot voordeel wordt gezien dat internationale handel met Nicaragua zal toenemen. Nicaragua zou zich hierdoor kunnen eindelijk kunnen meten aan andere landen, met name haar buurlanden Costa Rica en Panama. Dit is hard nodig, vertelde een lokale man me eerder tijdens een busrit: “Terwijl wij onszelf intern aan het vernietigen waren, groeiden de economieën van onze buurlanden. Waarom zien mensen niet in dat we met het geld van een sterkere economie nieuwe bossen kunnen planten in heel Nicaragua?” Nicaragua is sinds de revolutie van 1979 nog altijd bezig aan haar economische comeback.

    Dan is er de andere kant van de medaille. De regering van Costa Rica, het land dat grenst aan Nicaragua aan de zuidelijke oever van de San Juan rivier, is fel tegen het aanleggen van een kanaal. Zoals bekend vanuit Panama, heeft het graven van een kanaal een vernietigende invloed op het lokale ecosysteem. Costa Rica zou alleen de ecologische nadelen ondervinden en geen van de economische voordelen.

    Ook Alfredo is bang voor de gevolgen van een mogelijk kanaal. Volgens hem zou een kanaal ervoor zorgen dat het waterniveau van zowel Lake Nicaragua als de San Juan rivier flink zullen dalen, wat een verstoord ecosysteem in een groot gebied zou veroorzaken. Maar Alfredo twijfelt ook aan de beloofde economische voordelen: “Wij spreken geen Engels en hebben het geld niet voor de juiste educatie. We bezitten de middelen niet om te profiteren van de toegenomen handel. De Chinezen zullen komen en profiteren.” De economische voordelen zijn volgens hem dus vooral voor de Nicaraguaanse regering en de Chinezen. De rechten om een interoceanisch kanaal te laten bouwen in Nicaragua zijn jaren geleden al gekocht door een Chinese multinational.

    Sommige Nicaraguanen beschikken wel degelijk over middelen om te kunnen profiteren van de mogelijkheden van een kanaal. Er zijn steeds meer Nicaraguaanse tieners en twintigers die studeren en Engels leren. Maar dit is tot nu toe een selecte, rijkere groep. Het klassenverschil in Nicaragua is groot. Het is geen nieuws dat in armere landen vaak een middenklasse ontbreekt.

    Alfredo stuurt zijn boot naar een zijtak van de San Juan rivier. Op een strandje legt hij de boot stil. Hier zouden geen krokodillen meer leven. Ik ben ontzettend bang voor krokodillen. Ik daag ik Alfredo uit om te demonstreren dat het veilig is door eerst zelf te gaan zwemmen. Hij aarzelt geen moment en glijdt soepel het water in. Terwijl Alfredo tussen de groene overhangende junglevegetatie borstcrawlt, zet ik me over mijn angst heen en glijd ook langzaam het water in. Niets bijt. Ik laat me op mijn rug drijven in het bruine rivierwater.

    Na het overleven van de boottocht, vind ik in het museum van El Castillo oude kaarten met interessante historische gegevens. Het plan van de Chinezen blijkt niet de primeur voor een interoceanisch kanaal door Nicaragua. In de negentiende eeuw bouwden de Amerikanen een kanaal dat van de Pacifische Oceaan naar Lake Nicaragua liep. De San Juan rivier fungeerde als verbinding met de Caribische Zee. Dit interoceanisch kanaal werd gebruikt als handelsroute tussen San Francisco en New York. Er begon echter een burgeroorlog in Nicaragua, die de afronding van het project blokkeerde. De Amerikanen werden gedwongen het land te verlaten en als plan B werd het Panamakanaal gebouwd.

    Maar plan A blijft plan A. Ruim een eeuw later circuleren de handelsplannen voor een kanaal door Nicaragua nog steeds. Nu bij een andere economische grootmacht. De tijd zal leren of het kanaal er ooit komt. De Chinese multinational die de rechten bezit voor de bouw van het kanaal, heeft veel geld verloren in de financiële crisis van 2008. Hij houdt zich de afgelopen jaren op de achtergrond.

    Een paar weken na mijn bezoek aan El Castillo sta ik op een strand aan de Pacifische kust van Nicaragua. Ik zie regelmatig grote cargo-schepen passeren. Mogelijk zijn deze schepen vanuit Noord-Amerika onderweg naar het Panamakanaal. Internationale handel neemt toe en schepen worden steeds groter. Sommige schepen zijn al te groot om door het Panamakanaal te varen. Een boost voor de economie is iets dat een arm land als Nicaragua nodig heeft. Maar tegen welke prijs? En hoe zullen de economische voordelen werkelijk worden verdeeld?

    Nicaraguanen gebruiken niet voor niets veelvuldig de uitdrukking: “Hay ventajes y disventajes.” Er zijn voordelen en nadelen.

  • Indianen en Internationaal Toerisme

    Indianen en Internationaal Toerisme

    Las Peñitas. Een klein dorp aan de Pacifische kust van Nicaragua. Van origine een vissersdorp, maar in de afgelopen tien jaar zijn restaurants en hotels opgezet in de hoop extra geld te verdienen aan het toerisme. Net als meer armere landen focust Nicaragua zich op internationaal toerisme om de economische situatie te verbeteren. Maar Las Peñitas is niet zomaar een opkomend toeristisch dorp. In dit dorp wonen indianen van de Sutiavastam.

    Eeuwen geleden trokken de Sutiava zuidwaarts vanuit Noord-Amerika. Ter hoogte van México was het al bewoond door de Maya’s, dus de Sutiava trokken verder. Totdat ze aankwamen in het gebied dat nu Nicaragua heet.

    In de zestiende eeuw arriveerden Spaanse kolonisatoren in het gebied. De Spanjaarden dwongen veel inheemsen om voor hen te werken. Sommige stammen bleken moeilijk tot slaaf te maken, zo ook de Sutiava. De Spanjaarden sloten een economische deal met de Sutiava. Zij kregen hun grondgebied wettelijk erkend door de toenmalige Spaanse koning. Vervolgens hielden de Spanjaarden het Sutiavagebied 300 jaar lang geïsoleerd van de buitenwereld. Na de de-kolonisatie van Nicaragua waren de Sutiava een van de weinige stammen die hun land hadden behouden.

    In de twintigste eeuw werd het Sutiavagebied opnieuw geïsoleerd. Dit keer door de dictators van de Somoza Dynasty. Er werden grote blokken steen geplaatst op de weg, die fungeerden als een soort mini Berlijnse muur. Zelfs de dichtstbijzijnde stad León, nu 30 minuten rijden met de bus, was niet toegankelijk voor de Sutiava. De Somoza dictatorreeks regeerde Nicaragua van 1937 tot de nationale revolutie in 1979. Het Sutiavagebied is dus eigenlijk pas sinds een aantal decennia niet meer geïsoleerd.

    Vanwege bovenstaande geschiedenis is de Sutiavacultuur een unieke mix geworden van traditioneel, Spaans en modern westers. Inmiddels dragen veel Sutiava spijkerbroeken, rijden op scooters en hebben een televisie in hun hut of huis. De Sutiava spreken Spaans. Hun eigen taal is aan het verdwijnen. De traditionele Mayareligie is gemengd geraakt met het Spaanse katholicisme. In Las Peñitas staat een kerk, maar men gelooft in de zonnegod Quetzalcoatl. De kerk in Las Peñitas heeft daarom een gat in het plafond, waardoor de zon aanbeden kan worden. In de Sutiava kerk in León hangt een beeld van de zon aan het plafond.

    Naast zo’n vierduizend Sutiava wonen er in Las Peñitas ook Nicaraguanen. Volgens de Sutiava zijn dit immigrantes. Zij zijn Nicaraguanen die naar Sutiavagrondgebied zijn geëmigreerd. Ook vind je in Las Peñitas Noord-Amerikanen en Europeanen. Zij houden zich bezig met het runnen van hotels en restaurants, of verblijven hier kort- of langdurig voor hun plezier. Dit zijn de extranjeros, oftewel buitenlanders.

    Omdat het Sutiavagrondgebied nog altijd wordt erkend door Spanje, maar niet door de Nicaraguaanse regering, zorgt dit voor lokaal conflict. Iedereen die een huis of een stuk grond koopt in Las Peñitas, moet volgens de Nicaraguaanse wet de regering betalen. Maar de Sutiava – en Spanje – vinden dat de indianen recht hebben op dit geld. Veel extranjeros betalen daarom de regering én de indianen om de vrede te bewaren. De meeste immigrantes, Nicaraguanen, hebben hier geen geld voor en/of willen dit niet. Zij betalen alleen de regering.

    Het strand is een heilige plaats voor de Sutiava. Vandaag de dag wordt het strand gesierd of ontsierd door tientallen hotels en restaurants van extranjeros. Ook de Sutiava zien dat er geld zit in toerisme en proberen hier hun voordeel mee te doen. Maar hun hotels en restaurants worden terug geduwd in de richting van het dorp. De Sutiava kunnen de goede toeristische locaties simpelweg niet betalen. “They’re stealing our land”, wordt er achter de schermen wel eens tegen mij gezegd over de extranjeros.

    Het verschilt aan mogelijkheden in het toerisme ligt niet alleen aan geld. Geld, dat in de eerste plaats nodig is om te kunnen investeren. De hotels en restaurants van de Sutiava zien er ook anders uit dan die van de extranjeros. In Las Peñitas is letterlijk elk hotel doordrongen van strandzand. Zelfs het meest ‘luxe’ restaurant bestaat uit plastic tafeltjes en stoeltjes. Toch bestaat er nog een groot verschil tussen de twee type eigenaars, wanneer het aankomt op hygiëne en comfort.

    De meeste internationale toeristen, die in overvloed westers zijn, zijn gewend aan en zoeken een bepaalde standaard van hygiene en comfort. In een Sutiava restaurant worden groenten gewassen met kraanwater, in een extranjero restaurant met flessenwater. Het gevolg is dat veel buitenlandse toeristen ziek worden na het eten in de lokale restaurants. “Ik wil wel goed koken voor westerlingen, maar ik weet gewoon niet hoe”, vertelt een Sutiava hoteleigenaresse met wanhoop in haar ogen.

    Neem bijvoorbeeld het restaurant van de lokale Carmen. Carmens hut is open aan de voorkant en de zijkanten bestaan uit muren van vuilniszakken. Wanneer ik lang haar hut liep, was zij altijd druk bezig was met afwassen of koken. Na twee weken in Las Peñitas constateerde ik dat Carmen wel heel veel aan het koken was voor de grootte van haar gezin. Ik vroeg of dit misschien een restaurant was. “Jazeker”, zei Carmen enthousiast. De meeste internationale toeristen zijn slechts enkele dagen in Las Peñitas en zullen haar restaurant niet snel herkennen. Zij zijn gewend aan bordjes die hen vertellen dat een plek een restaurant is. Ik beloofde diezelfde avond te komen eten.

    ‘s Avonds in het restaurant van Carmen bestelde ik een salade. Ik begon mijn salade in stilte te eten aan een grote plastic tafel, omringd door zo’n vijftien Sutiava bezoekers, voor een grote televisiekast die aanstond. Halverwege mijn maaltijd kwamen er een man en een vrouw de hut binnen. Zij kwamen van buiten Las Peñitas en begonnen een verhaal te vertellen. Ik stopte, net als de andere aanwezigen, met eten om naar hun verhaal te luisteren. Het was een verhaal over echtelijk geweld totdat het echtpaar Jezus had gevonden. Nu leefden zij in vrede samen en reisden rond om het woord van Jezus te verspreiden.

    Na dit verhaal van 45 minuten begon de vrouw van het echtpaar de andere vrouwen in de hut te zegenen. Dit leek mij het moment om verder te eten. Ik at snel mijn salade op en liep naar Carmen om haar te betalen, licht teleurgesteld dat ik als extranjera zo moeilijk kan mengen met de lokale bevolking. “Nee”, glimlachte Carmen, “jij hebt al betaald.” De vrouw in de hut met muren van vuilniszakken weigerde mijn geld. Mijn respect was genoeg voor haar.

    Tot mijn spijt moet ik bekennen dat ik twee weken erg ziek ben geweest na het eten in Carmens restaurant. Waarschijnlijk van het kraanwater waarmee de salade was gewassen.

    In de maanden erna leerde ik meer over hoe de Sutiava samenleving in elkaar steekt. Dat veel Sutiava een derde van hun inkomsten doneren aan de lokale gemeenschap. Aan gehandicapten, ouderen of aan andere hulp behoevende minderheden. Ik observeerde het gedrag van internationale toeristen, wat vaak neerkwam op het drinken van veel alcohol en het straal voorbij lopen van de Sutiava. Er was nauwelijks oog voor de lokale cultuur. Maar de lokale cultuur liet zichzelf ook niet gemakkelijk zien, had ik had gemerkt. Het is een systeem dat zichzelf zo in stand houdt en een weinig constructieve kant op ontwikkelt. Ondertussen verdwijnt een oude, etnische groep langzaam van het toneel.