De wens naar meer door vergelijking. Waar ligt de grens?

Na mijn masteronderzoek in Nicaragua merkte ik dat ik haar mensen moeilijk kon loslaten. Dat de wereld oneerlijk is verdeeld, dat wist ik al. Maar om het te zien en voelen, ging mij in elk geval niet in de koude kleren zitten. Wat kon en moest ik met deze pijnlijke status quo?

Het salaris in Nicaragua is zo laag dat mensen niet of nauwelijks geld overhouden. Sommige mensen worden ziek, omdat ze geen schoon drinkwater kunnen betalen. Velen werken zeven dagen per week. Tijd of geld besteden aan investeringen is voor een groot deel van de bevolking niet haalbaar. Hoe creëer je dan een gat naar buiten? Niet dus.

In Nederland werkt het anders. Vergeleken met Nicaragua, is dit de wereld van structurele rijkdom. Hoewel veel mensen ook hier moeite moeten doen om rond te komen, zijn er vangnetten als de WW, WIA, AOW, zorgsubsidie en huurtoeslag. Je moet hier bijna je best doen om op straat te belanden. Schoon drinkwater komt gewoon uit de kraan. Loopbaanadviseurs zijn er om ons te helpen met een overvloed aan keuzemogelijkheden. Het lijkt wel een ander universum.

Arme mensen op veel plekken worden dagelijks gewezen op hun nadelige positie in de wereld en in toenemende mate in eigen land. Versnelde globalisering stuurt mensen en media over de hele wereld. Nicaraguanen zagen mij maandenlang niet werken, maar wel geld betalen voor luxe producten en uitstapjes. Waarom kan ik dat en zij niet? Ik heb geen buitengewone talenten. Ik ben op een plek geboren waar meer geld is. Veel meer.

De consumptiemaatschappij is genadeloos. Dominerende Amerikaanse televisie maakt westers uiterlijk populair. Digitale media verspreiden reclame voor luxeproducten. Gadgets als de tablet worden nagestreefd door mensen die wonen in een hut van houten palen en vuilniszakken. Geld wordt bij elkaar gesprokkeld, maar welke doelen worden bereikt? Onder arme mensen ontstaat de wens naar meer, maar niet altijd de mogelijkheid. Er ontstaat behoefte aan onmogelijke verandering. En dan wandel ik voorbij met mijn Nikon camera, blonde haren en ogenschijnlijk bodemloze portemonnee. Ik help zeker niet mee.

And you think you’re so clever and classless and free

De kans is groter om in Afrika geboren te worden. Of in bomvol India. Maar nee, ik werd geboren in Nederland. Ongevraagd krijg ik veel en anderen bijna niks. Maar ironisch genoeg zie ik in Nederland weinig terug van mijn economisch bevoorrechte positie. Ik leef in een wereld waarin het moeilijk is om een baan te vinden, want er heerst economische crisis. Wanneer ik bovendien, na het behalen van een universitair masterdiploma, als vakkenvuller in een supermarkt zou werken, zou ik volgens velen presteren ‘onder mijn niveau’. Ik voel stress en sociale druk. Velen met mij kunnen niet oogsten wat ze dachten te zaaien met een opleiding. Ze kunnen niet voldoen aan hun eigen verwachtingen en die van de maatschappij.

When they’ve tortured and scared you for twenty odd years
Then they expect you to pick a career
When you can’t really function you’re so full of fear

In Nicaragua bevond ik me aan de maatschappelijke top van succes, terwijl ik er niets voor deed. Hoewel ik meer geld heb dan toen, voel ik me steeds armer worden sinds ik terug ben in Nederland. Hier werk ik hard en sta laag op de maatschappelijke ladder. Want ook in het rijke deel van de wereld heeft men de wens om hogerop te komen. Mensen willen een meer salaris, een verdere vakantie of een groter huis. Vergelijking met onze directe buren vergroot de wens naar meer en beter. Wat logisch is, want onze buren en reclames zien we wél dagelijks en de arme Afrikaan niet. De Afrikaan of de Nicaraguaan behoort in onze ogen niet tot ‘onze groep’. Maar wij dringen wel dagelijks bij hen door.

Het is menselijk om ons te meten aan onze directe omgeving. Zo begrijpen we onze eigen positie in de groep en begrijpen we hoe we deze kunnen verbeteren. We willen een hoge status in onze groep om toegang te krijgen tot de beste middelen voor onszelf en onze kinderen. Maar als de top telkens wordt verplaatst doordat iedereen constant streeft naar beter, wanneer mogen we dan tevreden zijn met wat we hebben?

De top die mensen willen bereiken is relatief. Het zit in ons hoofd en verandert met onze directe omgeving. Hierdoor zitten we inmiddels in de Eerste tot en met de Derde Wereld met eenzelfde probleem: de constante wens naar meer door vergelijking. Maar het einde is zoek, want het kan natuurlijk altijd beter.

Wanneer steeds meer mensen in een globale markt winst voor ogen hebben en kapitaal zichzelf kan vermeerderen door middel van investeringen, zal economische ongelijkheid in de wereld toenemen. Geld maakt geld en zal dus waarschijnlijk in toenemende mate bij het nu al rijke deel van de wereldpopulatie terechtkomen. In de wereld van structurele rijkdom heeft men de economische (en culturele) middelen om winstgevende ondernemingen te runnen. Maar in plaats van waar is de top, zou een mens zich ook kunnen afvragen: Waar ligt de grens?

There’s room at the top, they’re telling you still
But first you must learn how to smile as you kill
If you want to be like all the folks on the hill

Danger and beauty in the Himalayas

Dhanbader brought a miraculously small daypack containing all that he would need for our nine day trek to Annapurna Base Camp. He was prepared to carry my backpack, but I had been sure to pack no more than I could carry myself. Half impressed, half lost in comprehending my independence, he allowed me to carry my own luggage. Dhan was my Nepalese guide. He had lost sight in his left eye during an exceptionally bright and treacherous snow trek 22 years ago and had survived many a bigger adventure than me.

As we ascended into the mountains, green valleys and small towns surrounded by little vegetable farms welcomed us. People in colorful clothing and typical Nepalese woolen beanies looked at us without much interest. Local school children swiftly surpassed us. Dhan was having a rather casual stroll up the gigantic mountain range that we call the Himalayas. I felt like I was slowing him down a lot.

Every now and again we stepped aside to allow for a row of donkeys or horses to pass on the narrow path. In the rhododendron forest, with trees distinguished by pink and red flowers, Dhan showed me how to drink nectar from the flowers. “Local medicine”, he explained, “very good for throat”.

After two days of hiking we reached Poon Hill. From this point onwards the trek was already worth it. With its 3.200 meters, Poon Hill can be considered a hill next to the Himalayas, of which many reach up to 8.000 meters. Buddhist prayer flags were playing in the wind. To the Nepalese a beautiful place is a sacred place. Outstretched before us we saw the Annapurna mountain range: our destination. Straight ahead we could see the proud tops of Machhapuchchhre Himal: a 7.000 meter two-topped holy mountain that is nicknamed Fishtail. Those who climb it are said to never return. On the left side behind it we saw Annapurna III, which was the mountain were to hike to and to partly climb to reach Base Camp. 

Over the next three days we did not gain any height. Though we hiked up and down many hundreds of meters every day, we always made it back to around 3.200 meters at night. Every town we passed seemed to have its own beliefs and superstitions. In one town we were not allowed to eat meat, in another it was forbidden to play music and yet another town allowed no fire.

In the evenings Nepalese guides and foreign trekkers mixed for a bit. Stories were shared and laughter was heard. Yet at night we slept in different dorms. During the freezing nights I slept in my sleeping bag and under multiple woolen blankets. I needed badly those blankets badly, including my woolen hat, socks, gloves and jacket. But I noticed that the guides’ dorms at times didn’t offer a single blanket. It disturbed me. But every time I mentioned it or proposed to divide the blankets between us, Dhan avoided the subject. This was uncharacteristic for his normal enthusiasm.

Some time on the fifth day we reached a centimeter of snow. First we were excited, but trekkers who were coming down told us that the snow was “pretty bad up there”. One trekker told us about a group that had lost three of its members in an avalanche. Unsure of what we would find, we continued hiking up through the thin layer of snow, until we reached the town of Deurali. Again situated at 3.200 meters.

In Deurali, horror stories about avalanches kept reaching us. Time-wise we could make it to Machhapuchchhre Base Camp (MBC) at 3.900 meters that day. This would be a two hour hike from Deurali and then another two hours until we would reach Annapurna Base Camp at 4130 meters, our final destination. But because of the accumulating snow and horror stories, we decided to spend the night in Deurali.

It kept on snowing that evening. It was starting to get very cold. A heater was placed under the table in our guest house. With a group of Chinese people and their Nepalese guide, we huddled up around this heater. It was the Chinese guide’s birthday and the Chinese spoiled him and us with food. Apparently food sharing is a traditional birthday thing to do in China. They told us they’d attempted to hike from Deurali to MBC that afternoon, but had been forced to return. A video showed how their sight had suddenly been blocked by a grey cloud coming from the valley at high speed. Another video showed us an avalanche on the other side of the valley. People were screaming in the background. The group had concluded that it was way too dangerous to hike any further. They had decided to descend the next day.

Five trekkers were missing by now, a topic causing grave silence between us whenever it came up. By now we had learned that the track between Deurali and MBC is the biggest avalanche danger zone of Nepal, of which I’d had no idea and neither had my guide book. That evening the guide of the Chinese received a phone call, saying that the people at both Machhapuchchhre and Annapurna base camp were stuck there.

Dhanbader is a combined name of the word ‘strength’ and ‘rice’. Dhan knows the mountains very well. He was not giving up yet and said we’d see what the path would look like in the morning. So the next morning at 6 AM we were ready. Dhan told us that walking in an avalanche danger zone is best done before 8 AM, when the sun hasn’t sufficiently warmed up the snow in order for it to melt and fall down. I wondered whether we shouldn’t consider not walking in an avalanche danger zone at all. But at that time the snowfall returned and even Dhan had to admit defeat.

One centimeter of snow had become twenty centimeters overnight. I felt no disappointment. I was lucky. Those five people who were missing, was someone even looking for them? No helicopter could fly in this weather. As for us: we could neither proceed nor walk down. So we sat around the table again with the Chinese. But this time without the heater. There was tension in the room. I read a book and drank hot chocolate to warm myself up.

Fortunately only a few hours later the snowfall decreased. We seized our chance and began a fast descend. Dhan and I jumped through the fresh snow and surpassed people who were walking very carefully. Only once I fell on the slippery path. Dhan walked back to me and commented worriedly: “also avalanche danger zone”, while pointing at the open areas in between the trees up the mountain slope. I started to recognize them now and realized the danger. He wanted us to get out of there as soon as possible. I noticed that there now was snow on much lower altitudes than the day before. Many hours passed before the snowfall around us turned to rain. Taking few breaks, we continued hiking down in the rain all day. In the evening we reached the first perceived safe town of Chomrong.

We checked into a guest house to find more trekkers there who had stranded in Chomrong on their way up or down. Dhan estimated it wouldn’t be possible to hike up for the next three weeks. On our second day in Chomrong the sky cleared up and three helicopers flew in. They managed to rescue the people who had been stuck in the base camps. Some people were dropped off in Chomrong, others were taken to hospitals in Pokhara and Kathmandu. We learned that the path on which we had walked down only two days before, had been hit by a few avalanches and was no longer accessible. Five people had died in the avalanches. Another person had died from high altitude sickness when she had reached base camp.

Because the rain had stopped, we decided to pack our wet bags and continue our descend. We walked for another eight hours, leaving the sound of helicopters far behind us. This is when Dhan pointed out the difference in rescue operations for tourists and local people. For a tourist a helicopter rescue is always arranged and is often covered by insurance. But the Nepalese guides, sherpas and inhabitants of the mountain villages had no way of affording a helicopter rescue when being hit by an avalanche or getting stuck because of one. Neighboring towns first had to collect money in order to send a search helicopter. The risk that the Nepalese took in the Himalayas was of a different level than my own. I had not been quite aware of that.

Trekking in the Himalayas was one of the most beautiful experiences of my life. Yet I learned how ill prepared we can enter some areas as a tourist. We don’t realize how little we know about potential hazards in an area unfamiliar to us. And this was not the last time that I would learn this lesson in Nepal. Increased tourism makes more places easily accessible, which brings new opportunities as well as risks for tourists and local people alike. It is important to be aware of this while enjoying the beauty of our world.

Butterfly lessons

Chaos theory teaches us that the flapping wings of a butterfly can start the formation of a hurricane, taking place weeks later. Small actions can have large effects that we cannot always predict. This is called the Butterfly Effect. I was reminded of the Butterfly Effect when I learned of a local legend during a visit to Nepal.

Legend says that one day a man was wandering the streets of a village, begging for money. Only one woman was kind enough to give him some coins. The poor man then warned the woman about the coming flood.

The man turned out to be a god in disguise. Quickly, the woman and her children fled into the hills to become the only people who would survive the flood. The flood then formed the Fewa Lake in Nepal. The woman and her children settled next to the lake and were the first inhabitants of a city that is now called Pokhara. A small act of kindness had led to the survival of this woman, her children and their descendants.

Centuries later a traveler, being myself, was paddling a canoe on the Fewa Lake. Its water was shimmering in the sunlight at the foot of forested highlands. The backdrop showed the majestic mountain range that we now call the Himalayas.

I was feeling alive. The still water allowed for a peace of mind that is impossible to find in the city. My story, however, was less exciting than that of the legendary woman. It was time for me to return the canoe to the shop from which I had rented it.

As I was paddling back, I noticed something small and pink struggling in the water. I could make out a tiny butterfly. It was slowly drowning. At first I decided to continue paddling and let nature take its course. But then the memory of the legend of kindness made me I change my mind. I steered my canoe back around and with some moving back and forth, I managed to get my paddle underneath the drowning pink butterfly. I saved it by lifting it into my canoe. My personal act of kindness.

As I directed the canoe back towards the mountainous shore, I noticed something else floating in the water. Exactly in the spot from where I had just lifted my paddle. It was a bigger butterfly, coloured black with turquoise markings on its wings. But one wing was split in half. I had killed it. By saving one butterfly, I had killed another. One effect of my small act of kindness was murder.

Maybe this was a lesson in letting nature take its course. Unless the pink butterfly turns out to be a god in disguise and the black butterfly was about to cause a hurricane.

We can only make decisions to the best of our abilities.

Een Australisch oogstseizoen

Een temperatuur van boven de 40 graden is hier niet ongewoon. Toch draag ik een lange spijkerbroek, een shirt met lange mouwen en een donkere hoed als bescherming tegen de zon. De v-hals van mijn shirt is nu een permanente gebruinde afdruk op mijn huid. Typisch uiterlijk voor een boer.

Een rij van tien vrachtwagens staat voor mijn neus. Ik wijs omhoog om aan te geven dat de eerste zijn trailer mag legen in het rooster. Halverwege houd ik mijn hand op om de trailer te stoppen, anders overstroomt het rooster met graan.

Het graan moet een paar minuten in het rooster dalen en ik loop alvast naar de volgende vrachtwagen. Op het formulier van de chauffeur check ik of hij voor het juiste rooster staat. Ik wil geen verschillende kwaliteiten graan gaan mixen tot iets wat in prijs daalt. Mijn 10 liter waterfles is gevuld met ijs en staat naast me om de lange dag door te komen.

De oogst in Australië’s Central Wheatbelt is in volle gang. Vrachtwagens gevuld met vijftig ton graan rijden de opslagplaats op en af. Cooperative Bulk Handling (CBH) Group is een fenomeen. Het is de West-Australische organisatie die graan opslaat, bewerkt en doorverkoopt. Door de hele staat liggen opslagplaatsen om jaarlijks de massale oogst op te vangen in de maanden oktober tot en met januari.

West-Australische boeren verdienen hun jaarinkomen in deze maanden. Zij zijn tevens de eigenaren zijn van CBH Group: “Kunnen jullie niet 14 uur per dag werken? Of 16?” Onze werkuren stapelen zich op tot boven de 80 uren per week.

Op sommige dagen trilt de hete lucht akelig boven de grond. Wanneer ik tijdens mijn lunchpauze in de auto stap, draag ik leren handschoenen om mijn handen te beschermen tegen het gloeiend hete stuur. Mijn draaiende autobanden doen het asfalt smelten. Tijdens het half uur lunchpauze in de airco van de hut komt mijn lichaam langzaam uit de noodtoestand en verlaagt mijn hartslag aanzienlijk.

Maar vanaf het middaguur wordt het pas echt warm – dan kruipen mijn collega’s en ik als reptielen op de grond, op zoek naar een plek in de schaduw. Dit is de koelste plek van de opslagplaats. Daar liggen we dan, collega’s, wachtend op de volgende vrachtwagen. Om en om nemen we een taak op ons, om het draaglijk te houden. Tot de zon ondergaat.

Op deze manier gaat de oogst maanden door. Wanneer iedereen klaar is, hangt af van de machines en het weer. Bij droogte en hoge temperaturen oogsten de boeren makkelijker en gaat de kwaliteit van het graan omhoog. Bij regen ligt alles dagen stil, want dan is de grond te modderig om er met de zware oogstmachines op te rijden.

Te nat graan of graan dat juist te weinig regen heeft gezien, krijgt de kwalificatie feed. Voedsel voor dieren. Het levert het minst op en komt het vaakst voor. Via onze walkie talkies horen we de eerste en tweede boer met H1 binnenrijden: de hoogste kwaliteit graan en de hoofdprijs. Dit is echt een uitzondering in het droge Australië.

Na verloop van tijd wennen de temperaturen. Lange werkdagen gaan met ons humeur aan de haal. We kopen waterballonnen en niemand is veilig. Via walkie talkies lokken we elkaar in een hinderlaag van waterbombardementen. Vrachtwagenchauffeurs zetten flessen water naast zich neer die ik, verrast en dankbaar, over me heen krijg wanneer ik naast hun vrachtwagen sta om de graansoort na te kijken. Soms wordt me een flesje bourbon of bier toegestopt. Ik bewaar ze in mijn waterfles met ijs tot direct na sluitingstijd.

Wanneer één van de transportbanden kuren heeft en 10 ton graan eraf stroomt, zwoegen we uren met schep en kruiwagen in de zon. Ik word fit en bruin en breng mijn leven door tussen de graankorrels.

Deze boeren runnen een miljoenenbedrijf afhankelijk van deze extreme weersomstandigheden. Daar moet je wel wat ballen voor hebben.

Update uit de jungle: een interoceanisch kanaal door Nicaragua

Piraten bezeilden de Caribische Zee van de zeventiende tot de negentiende eeuw. Zij bereikten ook de San Juan rivier in Nicaragua. Volgens bronnen van de Spanjaarden was de rivier namelijk een van de twee gebieden in Nicaragua waar goud was. Bovendien was de rivier een handige ingang van de Caribische Zee naar Lake Nicaragua en een afsnijroute naar het midden van Centraal-Amerika.

Halverwege de San Juan rivier ligt het dorp El Castillo. Door de dichte jungle is infrastructuur ver te zoeken en is het dorp alleen bereikbaar per boot. Maar door haar historie van reizigers zijn er verrassend veel guest houses in El Castillo. Het goud uit de Spaanse legendes is nooit gevonden.

Vandaag, in de eenentwintigste eeuw, eneemt lokale gids Alfredo me mee in zijn bootje om te gaan zwemmen. In deze riviertak zouden geen krokodillen leven. Omwonende boeren hebben de krokodillen afgeschrikt (lees: afgeschoten), omdat de krokodillen hun koeien opaten. Ik heb Alfredo gisteravond ontmoet en hoop dat hij de rivieren inderdaad zo goed kent als dat hij beweert.

Alfredo komt uit Bluefields, de havenstad waar de San Juan rivier van de Caribische Zee Nicaragua binnen stroomt. Want dat is ook bijzonder aan deze rivier: het brengt zout water van de Caribische Zee naar Lake Nicaragua in het midden van het land. Er leven daarom zelfs haaien in het meer.

In de havenstad Bluefields is steeds minder werk en daarom heeft Alfredo recent in El Castillo een restaurant geopend. Daarnaast is hij begonnen als tour guide. Om deze reden zitten we nu in zijn boot. “Het is wennen, maar de mensen in El Castillo zijn erg aardig”, vertelt Alfredo onderweg naar de riviertak. Toch is hij niet helemaal gerust over zijn toekomst: “Grote veranderingen zijn op komst, veranderingen van een internationaal karakter.”

De veranderingen die Alfredo bedoelt, komen soms op ons nieuws voorbij. Er is al jaren een plan om een interoceanisch kanaal te bouwen in Nicaragua. Groter dan het Panamakanaal. Er wordt nog onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van zo’n kanaal. Als groot voordeel wordt gezien dat internationale handel met Nicaragua zal toenemen. Nicaragua zou zich hierdoor kunnen eindelijk kunnen meten aan andere landen, met name haar buurlanden Costa Rica en Panama. Dit is hard nodig, vertelde een lokale man me tijdens een busrit: “terwijl wij onszelf intern aan het vernietigen waren, groeiden de economieën van onze buurlanden”. Nicaragua is sinds de revolutie van 1979 nog altijd bezig aan haar economische comeback. “Waarom zien mensen niet in dat we met het geld van een sterkere economie nieuwe bossen kunnen planten in heel Nicaragua?”

Dat is de andere kant van de medaille. De regering van Costa Rica, het land dat grenst aan Nicaragua aan de zuidelijke oever van de San Juan rivier, is fel tegen het aanleggen van een kanaal. Zoals bekend van Panama, heeft het graven van een kanaal een vernietigende invloed op het lokale ecosysteem. Costa Rica zou alleen de ecologische nadelen ondervinden en geen van de economische voordelen.

Ook Alfredo is bang voor de gevolgen van een mogelijk kanaal. Volgens hem zou een kanaal ervoor zorgen dat het waterniveau van zowel Lake Nicaragua als de San Juan rivier flink zullen dalen, wat een verstoord ecosysteem in een groot gebied zou veroorzaken. Maar Alfredo twijfelt ook aan de beloofde economische voordelen: “Wij spreken geen Engels en hebben het geld niet voor de juiste educatie. We bezitten de middelen niet om te profiteren van de toegenomen handel. De Chinezen zullen komen en profiteren.” De economische voordelen zijn volgens hem dus vooral voor de Nicaraguaanse regering en de Chinezen. De rechten om een interoceanisch kanaal te laten bouwen in Nicaragua zijn jaren geleden al gekocht door een Chinese multinational.

Sommige Nicaraguanen beschikken wel degelijk over middelen om te kunnen profiteren van de mogelijkheden van een kanaal. Er zijn steeds meer Nicaraguaanse tieners en twintigers die studeren en Engels leren. Maar dit is tot nu toe een selecte, rijkere groep. Het klassenverschil in Nicaragua is groot. Het is geen nieuws dat in armere landen vaak een middenklasse ontbreekt.

Alfredo stuurt zijn boot naar een zijtak van de San Juan rivier. Op een strandje legt hij de boot stil. Hier zouden geen krokodillen meer leven. Ik ben ontzettend bang voor krokodiller. Ik daag ik Alfredo uit om te demonstreren dat het veilig is door eerst zelf te gaan zwemmen. Lichtelijk verbaasd kijkt hij me aan, maar hij aarzelt geen moment en glijdt soepel het water in. Terwijl Alfredo tussen de groene overhangende junglevegetatie borstcrawlt, zet ik me over mijn angst heen en glijd langzaam het water in. Niets bijt. Ik laat me op mijn rug drijven in het bruine rivierwater. Dit water, het dichte groen langs de oever en boven mijn hoofd: het is allemaal onderdeel van dat indrukwekkende jungle-ecosysteem dat zich zo complex in stand houdt.

Na het overleven van de boottocht, vind ik in het museum van El Castillo oude kaarten met interessante historische gegevens. Het plan van de Chinezen blijkt niet de primeur voor een interoceanisch kanaal door Nicaragua. In de negentiende eeuw bouwden de Amerikanen een kanaal dat van de Pacifische Oceaan naar Lake Nicaragua liep. De San Juan rivier fungeerde als verbinding met de Caribische Zee. Dit interoceanisch kanaal werd gebruikt als handelsroute tussen San Francisco en New York. Er begon echter een burgeroorlog in Nicaragua, die de afronding van het project blokkeerde. De Amerikanen werden gedwongen het land te verlaten en als plan B werd het Panamakanaal gebouwd.

Maar plan A blijft plan A. Ruim een eeuw later circuleren de handelsplannen voor een kanaal door Nicaragua nog steeds. Nu bij een andere economische grootmacht. De tijd zal leren of het kanaal er ooit komt. De Chinese multinational die de rechten bezit voor de bouw van het kanaal, heeft veel geld verloren in de financiële crisis van 2008. Hij houdt zich de afgelopen jaren op de achtergrond.

Een paar weken na mijn bezoek aan El Castillo sta ik op een strand aan de Pacifische kust van Nicaragua. Ik zie regelmatig grote cargo-schepen passeren. Mogelijk zijn deze schepen vanuit Noord-Amerika onderweg naar het Panamakanaal. Internationale handel neemt toe en schepen worden steeds groter. Sommige schepen zijn al te groot om door het Panamakanaal te varen. Een boost voor de economie is iets dat een arm land als Nicaragua nodig heeft. Maar tegen welke prijs? En hoe zullen de economische voordelen werkelijk worden verdeeld?

Nicaraguanen zeggen het niet voor niets veelvuldig: “Hay ventajes y disventajes.” Er zijn voordelen en nadelen…

DSCN2690

Een ontmoeting met de sterren van de Aarde

Nicaragua is droog vanwege de zomer. Bladeren vallen in herfstkleuren van de bomen. Behalve in de jungle. In hoger gelegen, vochtige gebieden heeft de Nicaraguaanse natuur nog een diepe, intense kleur groen.

Mijn bus vertrekt vanuit de stad Matagalpa. Ik reis af naar het noordoosten van het land. In de Lonely Planet heb ik gelezen over een kleine gastvrije boerderij, gelegen in het mystieke cloudforest.

De instructies opvolgend van een winkelmedewerker in de stad, stap ik na anderhalf uur rijden de bus uit op een afgelegen stuk zandweg. Er is één huis in zicht. Ik loop erheen en vraag de mevrouw op de veranda naar Finca Don Chico. De vrouw wijst naar een andere zandweg, welke richting het gebergte loopt.

Het cloudforest ligt in natuurreservaat Peñas Blancas. Dit tropisch regenwoud ligt in een hooggebergte en wordt gesluierd door mystieke laaghangende wolken. Aan de voet van een van de heuvels ligt Finca Don Chico. Deze boerderij is van de gelijknamige Don Chico, wiens kinderen en kleinkinderen ook op zijn land wonen en werken. Terwijl de mannen het land onderhouden en capoeiralessen geven aan enkele bezoekers per jaar, runnen de vrouwen een klein restaurant.

Direct nadat ik mijn backpack in mijn kamer heb gelegd, vraagt Don Chico’s zoon Arturo of ik een rondleiding wil door het regenwoud. Dat wil ik wel. Arturo beweegt zich geruisloos en soepel voor mij uit over smalle paadjes en gladde boomstammen. Arturo heeft weinig andere plekken gezien naast de nabije stad voor zijn opleiding tot boer. Die drukte vond hij maar niks. Hij wil op de boerderij blijven met zijn vrouw en kind. Arturo wijst me op tropische vogels, bananen- en koffieplantages en medicinale planten.

‘s Avonds kijken we vanaf een heuvel we hoe de zon Don Chico’s plantages langzaam oranje kleurt. Arturo plukt een paar bananen van de plantage voor ons. Hij zegt dat we ergens op wachten. Er zal straks een witte streep aan de horizon verschijnen. “Het verschijnt altijd vlak na zonsondergang. Ik denk dat het een meteoriet is of iets anders uit de ruimte.” Ik ben benieuwd. “Op een zeker moment zal de streep in tweeën breken.”

In de laatste vurige gloed van de avond verschijnt er inderdaad een witte streep aan de hemel. Het is een vliegtuig.

In het donker onderweg terug naar huis lichten er om ons heen stipjes op in het bos. “Las estrellas de la tierra,” legt Arturo uit. De sterren van de aarde. Hij vangt een van de sterren en opent zijn hand. Voor het eerst zie ik een vuurvlieg van dichtbij.

We wandelen terug naar huis. Zonder elektriciteit, zonder mobiel bereik en bijgeschenen door de sterren van de lucht en de sterren van de aarde.

‘s Ochtend maakt Don Chico me vroeg wakker om zijn zes koeien te melken. Ik verbaas me erover hoe zwaar het is om een koe te melken. Na mijn nutteloze maar hopelijk gezellige hulp, verplaats ik mij naar het restaurant, waar de vrouwen ontbijt maken voor lokale voorbijgangers. Het is een komen en gaan van mensen op scooters. Iedereen komt onderweg naar hun werk ontbijt komen halen.

Die middag neemt Don Chico me mee voor een urenlange wandeling door het hooggebergte. Hij leidt me langs stroompjes, watervallen, varens en gigantische bladeren. Wanneer Don Chico een bekend geluid hoort, wijst me op een toekan.

Door de laaghangende wolken is er constant motregen. De stenen en modder onder onze voeten zijn glibberig. Sommige stukken zijn best spannend om te lopen. Voor mij dan, want de oudere Don Chico, vastbesloten om me naar een van de hoogtepunten van het bos te brengen, wandelt alsof hij dit gebergte al duizend keer heeft beklommen.

Na een steile klim bereiken we de top van een van de heuvels. De boerderij ligt ver onder ons en is al lang niet meer zichtbaar. Don Chico leidt me door de bomen naar een afgrond met overhangend groen. Plotseling kijken we uit op een hoge waterval, die zich vanaf een andere heuvel de afgrond in stort. De oude man kijkt me stralend aan. Dit hooggebergte zit vol verrassingen die ik nooit zal ontdekken. En Don Chico weet wat voor schatkist hij bezit.

Portret van een globaliserend Nicaragua

Het is warm in het noordelijk hooggebergte van Nicaragua. Het nepleer van de busbankjes plakt aan mijn benen. De passagiers in de drukke bus worden aan alle kanten geplet door elkaar. De weg waar wij op rijden is van asfalt, tot we een aantal gravende mannen passeren. Wegwerkers. De asfaltweg gaat over in een zandpad met stenen. Tot nu toe loopt de ‘moderne’ weg tot hier en niet verder.

De bus hobbelt op en neer over de zandweg, waardoor de passagiers nog meer worden geplet. Af en toe komt er een met hooi of zakken beladen paardenkar voorbij. Huisjes van hout en golfplaten schieten aan de bus voorbij. Slechts een enkel gebouw bestaat uit steen – vaak een overblijfsel uit de koloniale tijd.

De omliggende heuvels nemen toe in grootte. Aan alle kanten word de bus nu omringd door valleien gevuld met bananenbomen. Banenbomen verschaffen de koffieplantages schaduw, heb ik me laten vertellen.

De mensen in de bus zijn rustig en tolerant om vooral geen last te krijgen van de warmte. Ik luister muziek en denk na over het Nicaragua dat ik nu ken.

De Nicaraguanen zijn een trots volk. Zelfstandig en innovatief. Haar onafhankelijkheid, zowel politiek als natuurlijk door een rijkdom aan grondstoffen, is Nicaragua’s trots. Vissers en boeren voeden het land met hun kleine bootjes en plantages. Kunstenaars maken schilderijen, kleding en andere artefacten met welke opbrengst ze zichzelf en hun community onderhouden. Veel wordt geïnvesteerd in de community – vrijwilligerswerk is vanzelfsprekend in Nicaragua. Wie hulp nodig heeft, krijgt hulp. Vanuit de community worden projecten georganiseerd voor armen, zieken en analfabeten. Men doneert een deel van het weinige geld dat hij of zij verdient aan deze projecten, die door talloze mensen worden aangekondigd in de bus of op andere publieke plaatsen. Of men helpt op een participatieve manier mee in zijn of haar eigen community.

Het land probeert te groeien, zowel economisch als sociaal. Steeds meer Nicaraguanen gaan studeren aan een van de vele universiteiten van het land. Dit belooft bewustwording en de daarbij komende innovatie. Zo zijn er op veel plekken projecten aan de gang tegen de schokkende afvalvervuiling in het land, met name door plastic. Met meer vuilnisbelten en prullenbakken op straat probeert men natuur en gezondheid te sparen. Werken doet het nog niet, maar de wil en kennis lijken toe te nemen.

Hetzelfde geldt voor vrouwenrechten; deze worden overal aangekaart op banners in de straten. De banners benadrukken dat het gebruiken van geweld tegen een vrouw een misdaad is. Vrouwen worden opgeroepen om hun stem te laten horen. Ook hier is er in de praktijk nog een lange weg te gaan, maar men kijkt de goede kant op. Het land wil duidelijk verbeteren op eigen kracht.

Het koloniaal verleden zit diep bij de meeste Nicaraguanen. Alleen al de nationale taal, katholieke religie en Spaanse architectuur op veel plaatsen in het land zijn dagelijkse herinneringen aan hoe groot de Spaanse invloed is geweest. Ik beeld me in hoe de Spanjaarden hier kwamen, eeuwen geleden, dezelfde groene heuvels en valleien ontdekkend die ik nu zie vanuit de bus. Ze stuitten op natuurlijke rijkdom en op diverse inheemse stammen. Maar de Spanjaarden waren hier niet voor mooie natuur. Ze waren hier voor goud. De hele kolonisatie ging om goud en materiële rijkdom, want de Spaanse economie stond hevig onder druk door andere Europese landen. Hoewel sommige inheemse stammen, zoals de Sutiava, zich enigszins staande hielden door een economische overeenkomst met de Spanjaarden te sluiten, werd 90% van de inheemse bevolking van Nicaragua uitgemoord of overleed aan overgebrachte ziektes. Weinig is er bekend van deze mensen, aangezien de meesten mondeling kennis overdroegen en hun kennis met hen ten onder ging.

Door dit heftig verleden heeft bijna elke Nicaraguaan zowel Spaanse als inheemse voorouders en is ook de cultuur een mix van westers en inheems. Men spreekt Spaans en is strikt katholiek, duidelijk Spaanse overblijfselen. Maar deze worden nu ervaren als Nicaraguaans trots. Tegelijkertijd met de omarming van deze koloniale overblijfselen, wordt politieke overheersing gezien als iets heel slechts. Dit was goed zichtbaar in de krachtige revolutie van 1979 tegen de Somoza dictator-dynasty. Op straat is nog graffiti met revolutionaire leuzen te zien, met name in belangrijke steden uit die tijd zoals León en Matagalpa. Tegelijkertijd zijn op auto’s en huizen zijn ook spreuken als Alleen Christus is mijn ware Koning en Jezus is mijn Eigenaar te lezen. Het volk spreekt zich dus uit tegen een nieuwe vorm van overheersing, mede door omhelzing van Spaanse koloniale overblijfselen. De stad León met haar koloniale architectuur was zelfs het ‘hoofdkwartier’ van de revolutie tegen de dynasty. Nicaragua is dus als land verder gegaan met wat ze hadden toen de Spanjaarden vertrokken. Het mag dan een mix van de Spaanse en inheemse culturen zijn,  het is wel hún mix en met trots de Nicaraguaanse cultuur.

Decennialang werd Nicaragua geïsoleerd door de drama’s onder de Somoza dynastie. Na de geslaagde revolutie van 1979 duurde het nog jaren voordat Nicaragua weer enigszins veilig was en nog meer jaren voordat dit tot de rest van de wereld doordrong. Het land doet hard zijn best om met buitenlandse investeerders de nationale economie te versterken – zoals het een goed kapitalistisch land betaamt, met name een land onder curatele bij de Wereldbank.

Zoals de Spaanse taal en het katholicisme normaal zijn geworden, zo sijpelen nu op subtielere wijze nieuwe buitenlandse invloeden binnen. Sinds de laatste jaren dragen mensen bijvoorbeeld spijkerbroeken naar Amerikaans concept. In elke grote winkelstraat vind je winkels die groot adverteren met ‘Verkopen Amerikaanse kleding’. Steeds meer Nicaraguaanse jongeren spreken ook Engels. Westerse invloed wordt groter, iets wat je simpelweg globalisering zou kunnen noemen. Maar de westerse invloed op Nicaragua neemt soms ook ernstige vormen aan, waarover je hoort wanneer je met de Nicaraguanen spreekt.

Ik herinner me de gesprekken die ik had met mijn Spaans docente in Granada. We spraken veel over de buitenlandse invloed op Nicaragua. “Siempre hay ventajes y disventajes”, zei Yorleni: er zijn altijd voordelen en nadelen. “Wat zijn dan de voordelen en nadelen?” vroeg ik. Yorleni antwoordde met het voorbeeld van een aardbeving in Laguna de Apoyo, een regio niet ver bij Granada vandaan. Jaren geleden vernietigde een zware aardbeving alle huizen in een dorp en veel inwoners werden dakloos. In plaats van dat de huizen weer werden opgebouwd, werd de meeste grond opgekocht door buitenlanders. Westerlingen zagen in deze goedkope grond een mooie locatie voor zichzelf of voor een toeristische onderneming. De originele inwoners van het dorp werden gedwongen te verhuizen door gebrek aan geld om hun eigen grond te kopen.

Ik was even stil van dit voorbeeld en vroeg: “Gebeurt zoiets vaak in Nicaragua?” Yorleni keek me aan met een peilende blik, alsof we ons op glad ijs begaven met dit onderwerp. “Wat denk jij?” Ze ging het zelf niet zeggen. “Ik denk dat dit soort dingen heel vaak gebeuren”, antwoordde ik voorzichtig, maar duidelijk. Yorleni knikte en vertelde dat in Granada en nabije dorpen de gunstigste locaties en best lopende hotels in handen zijn van buitenlanders. Daar gaat al het grote geld heen. “Nicaraguanen hebben de financiële middelen niet om te kunnen investeren in deze locaties, de buitenlanders kopen alles op.” Ze liet geen verdere mening doorschemeren.

“Wat zijn dan de voordelen van buitenlandse invloed?” vroeg ik haar. “Het is goed om te leren over andere culturen”, antwoordde Yorleni oprecht geïnteresseerd. Eerder had ze zich al verwonderd over de strakke spijkerbroeken van de jeugd in Granada, waar ze zich cynisch over uitliet. En over de opkomst van de ‘emo-cultuur’. “Maar verder gaan we het zien. De steeds grotere buitenlandse invloed doet me soms denken aan de Spaanse kolonisatie. Ik weet dat het niet hetzelfde is, maar de situaties lijken wel veel op elkaar in sommige aspecten.”

“Wat denk jij hierover?” vroeg Yorleni weer. Zag ze mij ook als kolonisator? Ik had mij goed ingelezen voor mijn onderzoek en bracht voorbeelden van buurland Costa Rica en dichtbij gelegen Belize naar voren, waar westerlingen zich op deze manier ook een weg het land in hebben gekocht en gepraat. Een winstoogmerk als prioriteit, massaproductie en extreme efficiëntie worden geïntroduceerd in een cultuur die dit niet gewend is en dit niet kan bijbenen. Niet in de eerste, maar ook niet in de laatste plaats door gebrek aan financiële middelen. Kapitalisme en een vrijemarkteconomie zijn wellicht de termen voor deze, zogezegd, nieuwe vorm van kolonisatie. Maar ik kreeg een doemscenario bijna niet over mijn hart. Ik zei haar dat de ondernemingskracht van het Nicaraguaanse volk in dit geval wellicht een verschil zou kunnen maken.

Na mijn laatste les vroeg Yorleni mijn e-mailadres. “Ik heb veel buitenlanders lesgegeven, maar jij bent anders dan de anderen.” Na onze gesprekken vatte ik dit op als een groot compliment en opluchting.

Ik word opgeschrikt uit mijn gedachten wanneer de bus plotseling afremt in een dorpje. De bus stopt bij een tankstation met winkeltje, zoals we dit in Amerika en Europa ook kennen. Mensen stappen uit voor een toiletpauze of om wat te eten te kopen.

Een man loopt het tankstation uit, gekleed in spijkerbroek en overhemd, terwijl hij door een rietje een slok neemt van zijn blikje Red Bull. De jonge vrouw die aan de andere kant van het gangpad zat, keert terug naar de bus met een zak snoepjes. “Do you want candy?” vraagt ze in het Engels. “Sí, gracias”, antwoord ik in het Spaans. Ze geeft me drie van haar snoepjes. Tevreden kijkt ze uit het raam, terwijl de bus weer begint te rijden.

De oude Amerikaanse schoolbus rijdt hobbelend verder door het groen van de bananenplantages, alsof alles nooit anders is geweest. Maar ik weet wel beter. En het baart me zorgen.

DSCN2244

De Sutiava en haar uitdagingen

Las Peñitas, Nicaragua. Een klein dorp aan de Pacifische kust. Van origine een vissersdorp, maar in de afgelopen tien jaar zijn restaurants en hotels opgezet in de hoop wat extra geld te verdienen aan toerisme. Net als veel armere landen, focust Nicaragua zich op toerisme om de economische achterstand op de rest van de wereld in te halen.

Maar Las Peñitas is niet zomaar een toeristisch dorp. In het dorp wonen indianen van de Sutiavastam. En indiaan zijn brengt de nodige uitdagingen met zich mee.

Het grondgebied in en om Las Peñitas was oorspronkelijk van de Sutiava. Deze etnische groep is eeuwen geleden vanuit Noord-Amerika zuidwaarts getrokken. Ter hoogte van México was het al bewoond was door de Maya’s. Daarom trokken de Sutiava verder tot ze aankwamen in het gebied dat nu Nicaragua heet.

Toen de Spaanse kolonisatoren kwamen en de lokale bevolking dwongen voor hen te werken, bleken sommige stammen moeilijk tot slaaf te maken. Zo ook de Sutiava. De Spanjaarden sloten een economische deal met de Sutiava. Zij kregen hun grondgebied  wettelijk erkend door de toenmalige Spaanse koning. Zo’n 300 jaar werd het Sutiavagebied geïsoleerd gehouden door de Spanjaarden. Na de de-kolonisatie van Nicaragua waren de Sutiava een van de weinige stammen die hun land hadden behouden.

In de twintigste eeuw werd het gebied opnieuw geïsoleerd. Dit keer door de Somoza Dynasty. Zelfs de dichtstbijzijnde stad León, nu 30 minuten rijden met de bus, was niet toegankelijk voor de Sutiava. Er werden grote blokken steen geplaatst op de weg, die fungeerden als een mini Berlijnse muur. De Somoza dictatorreeks regeerde Nicargua van 1937 tot de nationale revolutie in 1979. Het Sutiavagebied is dus eigenlijk pas sinds een aantal decennia niet meer geïsoleerd.

Inmiddels dragen de Sutiava spijkerbroeken, rijden op scooters en hebben een televisie in hun hut. Door hun geschiedenis is de Sutiavacultuur een unieke mix geworden van traditioneel, Spaans en modern westers. De Sutiava spreken Spaans. Hun eigen taal is inmiddels zo goed als verdwenen. De traditionele Mayareligie is gemengd geraakt met het Spaanse katholicisme. In Las Peñitas staat een kerk, maar men gelooft in de zonnegod Quetzalcoatl. De kerk in Las Peñitas heeft een gat in het plafond, waardoor de zon aanbeden kan worden. In de Sutiava kerk in León is een beeld van de zon aan het plafond gehangen.

Naast zo’n vierduizend Sutiava wonen er in Las Peñitas ook Nicaraguanen. Volgens de Sutiava zijn zij immigrantes, oftewel immigranten. Zij zijn dus Nicaraguanen die naar Sutiavagrondgebied zijn geëmigreerd. Ook vind je in Las Peñitas Canadezen, Amerikanen, Noren en Fransen die zich bezig houden met het runnen van hotels en restaurants. Dit zijn de extranjeros, oftewel buitenlanders.

Het Sutiavagrondgebied wordt nog altijd erkend door Spanje, maar niet door de Nicaraguaanse regering. Dit zorgt voor lokaal conflict. Iedereen die een huis of een stuk grond koopt in Las Peñitas, moet volgens de Nicaraguaanse wet de regering betalen. Maar de Sutiava – en Spanje – vinden dat de indianen recht hebben op dit geld. Veel buitenlanders betalen daarom de regering én de indianen om de vrede te bewaren. De meeste immigranten, Nicaraguanen, hebben hier geen geld voor en/of willen dit niet. Zij betalen alleen de regering.

Vroeger was het strand een heilige plaats voor de Sutiava. Vandaag de dag wordt het strand gesierd of ontsierd door tientallen hotels en restaurant van extranjeros. Ook de Sutiava zien dat er geld zit in toerisme. Maar hun hotels en restaurants worden terug geduwd in de richting van het dorp: de Sutiava kunnen de goede toeristische locaties simpelweg niet betalen. “They’re stealing our land”, wordt er achter de schermen gezegd. Volgens sommigen faciliteert de vrije markt zelfs een nieuwe vorm van kolonisatie.

Het verschilt aan mogelijkheden ligt niet alleen aan geld. Geld, dat in de eerste plaats simpelweg nodig is om te kunnen investeren. Maar de hotels en restaurants van de Sutiava zien er ook heel anders uit dan die van de extranjeros. Waar álles hier houtje touwtje is opgezet en élk hotel doordrongen is van strandzand, waar plastic tafeltjes en stoeltjes in een restaurant het meest luxe is wat je kunt krijgen, is er alsnog een groot verschil tussen de twee type eigenaars, wanneer het aankomt op hygiëne en comfort.

In een Sutiava restaurant worden groenten gewassen met kraanwater, in een extranjero restaurant met flessenwater. Het gevolg is dat veel buitenlandse toeristen ziek worden van de lokale restaurants. “Ik wil wel goed koken voor westerlingen, maar ik weet gewoon niet hoé”, vertelt een Sutiava hoteleigenaresse me wanhopig.

Mijn ervaring in het restaurant van Carmen is alles samenvattend. Toen ik na twee weken in Las Peñitas constateerde dat zij wel heel veel aan het koken was voor de grote van haar gezin, liep ik aarzelend naar haar toe en vroeg ik of dit misschien een restaurant was. “Jazeker”, zei Carmen enthousiast. De meeste toeristen zijn slechts enkele dagen in Las Peñitas en zullen haar restaurant niet snel herkennen. Ik beloofde diezelfde avond te komen eten.

‘s Avonds in het restaurant van Carmen bestelde ik een salade. Ik begon mijn salade in stilte te eten, omringd door zo’n vijftien Sutiava bezoekers en een grote televisiekast die aanstond. Halverwege mijn maaltijd kwamen er een man en een vrouw de hut binnen, Nicaraguaans of Sutiava durf ik niet te zeggen. Zij begonnen een verhaal te vertellen, waarvan ik inmiddels het grootste deel kon verstaan. Het was het verhaal van een situatie van echtelijk geweld. Totdat het echtpaar Jezus had gevonden. Nu reisden zij rond om het woord van Jezus te verspreiden. Ik was, net als de andere aanwezigen, gestopt met eten om naar hun verhaal te luisteren.

Na het verhaal begon de vrouw van het echtpaar de andere vrouwen in de hut te zegenen. Dit leek mij het moment om verder te eten. Ik at snel mijn salade op en liep naar Carmen om haar te betalen. “Nee”, zei Carmen, “jij hebt al betaald.” De vrouw in de hut met muren van vuilniszakken weigerde mijn geld. Mijn respect was genoeg. En blijkbaar had niemand respect verwacht van deze blonde, blanke American.

In de maanden erna leerde ik dat de Sutiava een derde van hun inkomsten geven aan de lokale community, zij het aan gehandicapten, ouderen of aan andere hulp behoevende minderheden. Ik zag het gedrag van andere toeristen, wat vaak neerkwam op veel alcohol en het straal voorbij lopen van de Sutiava. Er was geen oog voor de lokale cultuur. Maar de lokale cultuur liet zichzelf ook niet makkelijk zien. Het was een systeem dat zichzelf in stand hield en een weinig constructieve kant op ontwikkelde.

Tot mijn spijt moet ik bekennen dat ik twee weken erg ziek ben geweest na het eten in Carmens restaurant. Dat was mijn prijs voor het eerste waardevolle inzicht van mijn masteronderzoek en het respect van de Sutiava gemeenschap. Maar mijn grotere spijt ligt in het feit dat deze gemeenschapsgerichte etnische groep lijkt te worden ondergelopen door buitenlandse invloed en toeristen.